Nederlands (verkort leerplan)Zevende klas
De taalvaardigheid wordt geoefend door middel van leesteksten, schrijfopdrachten en taalspelletjes. Opstellen en brieven met gerichte aandachtspunten. Herhaling en uitbreiding van redekundig en taalkundig ontleden, en spelling. Gedichten reciteren, spreekbeurten en het vertellen van verhalen. Boeken met als thema ‘ontdekkingsreizen’. Achtste klas
Het ‘skelet’ van de taal was een leidraad: grammatica, spelling, synoniemen en homoniemen, woordenschat, taal en cultuur. Kranten, tijdschriften, de invloed van de media en zelf journalistiek bedrijven. De taal wordt vooral zakelijk gebruikt, maar daarnaast ook ‘subjectief’. Via de jeugdliteratuur wordt de werkelijkheid van de wereld vanuit de waarneming en vanuit de belevingswereld geleidelijk bewust gemaakt. Boeken over historische, sociale en filosofische thema’s. Daarnaast worden er gedichten gemaakt en behandeld, bijvoorbeeld lange verhalende balladen en ultrakorte natuurbeschrijvingen. Negende klas
Overgang naar de volwassenenliteratuur via lectuur en humoristische verhalen. De literatuurgeschiedenis van de 18e en 19e eeuw met hun doorwerking in de moderne tijd wordt behandeld, met de nadruk op herkenbaar Rationalisme en Romantiek: de uitersten van ‘zwei Seelen in einem Brust’. De basisbegrippen uit de grammatica en spelling worden verder geoefend, mede met samengestelde zinnen. Een uitgebreide vorming en oefengang in de stilistiek vond plaats, aangelopen vanuit de humor. Tiende klas
Het genre van de poëzie biedt de mogelijkheid om zich verdiepende gevoelens en gedachten te uiten; begrippenapparaat, versanalyse én actieve beoefening ervan. (Deze periode hoort bij het vak kunstgeschiedenis.) De literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen met zijn tegenstelling tussen de groepsgebonden voorhoofse heldenverhalen en de individuele hoofse thematiek wordt uitgebreid behandeld. De boekverslagen komen op niveau dankzij een cursus verhaalbegrippen. Aandacht voor de periode 1880-1920, met een accent op L.Couperus. Elfde klas
Van het centrale genre in de elfde klas, het toneel, wordt de geschiedenis geheel doorlopen. Accenten bij de Grieken, de Gouden Eeuw met Vondel, Shakespeare (bij het vak Engels), Goethe (bij het vak Duits), en de Absurdisten (bij het vak Frans). Deze toneelgeschiedenis hoort bij kunstgeschiedenis cq. het vak CKV-3, voor iedereen, in het vrije deel, zie onder ‘overige vakken’). In een oeuvre-werkstuk over één literaire auteur worden vier tot vijf boeken op een zelf gekozen thema vergeleken. Met een examenvoorbereidende leergang tekstanalyse wordt een begin gemaakt; het spreken voor een groep wordt verder geïntensiveerd. In de vakoverstijgende Parcivalperiode staat het verwerven van een moreel genuanceerd oordeel centraal, aan de hand van deze Middeleeuwse zoektocht naar de wetten van het lot. Twaalfde klas
Het individuele oordeel wordt in de twaalfde klas genuanceerd en aan de gelegenheid aangepast gebracht: beschouwen staat centraal. Daarbij wordt de eigentijdse én de wereldliteratuur onder de loep genomen: kritisch en vanuit het overzicht. De tekstanalyse evenals het spreken voor een groep worden voortgezet. |
||||||||
|







