Het vak CKV op de vrijeschool: de aanpak vanuit een school-eigen levensvisie In: Tsjip (najaar 2004), door R. J. Veltkamp Een brede kunstzinnige vorming met aandacht voor de wereldliteratuur en met nadruk op ervaringsgericht leren lijkt de laatste jaren in het voortgezet onderwijs een van de belangrijke vernieuwingen. Toch wordt op de vrijeschool al vanaf 1920 Wereldliteratuur gegeven en spelen volledige klassen jaarlijks een klassiek of modern-klassiek toneelstuk, waarbij iedereen een rol krijgt. Kunstzinnige vorming is er geen afzonderlijk onderdeel van het lesprogramma, maar is een wezenlijk onderdeel van een doorlopende leerlijn, met dwarsverbanden naar andere vakken en een streven om een gerichte aansluiting bij de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen tot stand te brengen.
De vrijescholen vinden hun oorsprong in de inzichten van Rudolf Steiner, de antroposofie. Deze visie vormt geen lesstof voor de kinderen. In het middelpunt staat de idee dat een mens meerdere levens op aarde doormaakt en dat er een samenhang is tussen deze levens, een lot. Een mens komt op aarde met een doel en zoekt een lichaam, een instrument dat voor dit doel kan dienen. Dit doel leeft niet in ons bewustzijn: we weten aanvankelijk nog niet wat we willen. Om daar achter te komen is het van belang dat de talenten van elk kind zoveel mogelijk tot ontwikkeling worden gebracht. De opvoeding mag er niet op gericht zijn om een kind aan te passen aan de samenleving. Het doel is dat het kind later op een creatieve manier een eigen vorm zal kunnen geven aan zijn leven en aan het samenleven met zijn medemensen. In Nederland zijn er nu ruim honderd basisscholen en zestien scholen voor voortgezet onderwijs. Wereldwijd gaat het om ruim 700 scholen, verspreid over alle continenten en met een grote onderlinge overeenkomst. In 1919 ontstond in Stuttgart de eerste vrijeschool, in Nederland was de eerste in Den Haag, gesticht in 1923. 'Vrij' op een vrijeschool staat voor de vrijheid van de docent, en dus ook voor de verantwoordelijkheid die je neemt voor je lessen. Er is een vrijeschoolleerplan, ontstaan vanuit een visie op de ontwikkelingsfasen van de leerlingen, en je kiest als vrijeschoolleerkracht je eigen uitwerking daarvan. De kinderen zitten bij ons in homogene leeftijdsgroepen. Zittenblijven gebeurt bij uitzondering en alleen als dat voor de persoonlijke ontwikkeling nodig is, dus niet alleen op grond van onvoldoende leerprestaties. De groep wordt in de basisschool al gevormd en blijft grotendeels bij elkaar. Dat betekent dat in de klassen alle intellectuele niveaus vertegenwoordigd zijn en zodoende een afspiegeling vormen van de maatschappij, met ook grote verschillen in leerstijlen en emotionele capaciteiten, in handvaardigheden, jezelf kunnen presenteren en ga zo maar door. De kunsten op het rooster in de vrijeschool De leerling ontplooit op de vrijeschool veel kunstzinnige activiteiten. Hierboven is de kunstzinnige verwerking van de lesstof bij álle vakken al besproken, maar er wordt ook specifiek onderwezen in de kunstvakken. Dat geldt voor álle leerlingen, los van profiel- of niveaukeuze. In de tweede fase behelzen de kunstvakken zo'n 7 uur per week per leerjaar. Dat betreft vakken als boetseren/steenhouwen, tekenen/schilderen, koorzang en dans. De genoemde onderwerpen zijn zó gekozen dat ze de leerlingen in hun ontwikkelingsfase spiegelen. Een 15/16-jarige bij voorbeeld is extreem gevoelig voor de al eerder onstuimig ontloken binnenwereld. Zij/hij kan nu genuanceerder de complexe emoties rond bij voorbeeld verliefdheid en (onvervuld) verlangen bij zichzelf waarnemen. Op deze leeftijd ligt de behandeling van de hoofse liefde dus gevoeliger en rijker dan op een andere leeftijd. Daarom spreken we bij zulke leerstof van 'ontwikkelingsstof'. Kinderen die nog niet aan de hoofse liefde toe zijn vinden het eveneens behandelde voorhoofse tijdperk veel leuker. Die worden dan via het enthousiasme van hun klasgenoten voorbereid op hun nieuwe ontwikkelingsfase. Ook het jezelf uitdrukken in dichtvorm sluit aan op deze 'gevoelsfase', van de 15- 16-jarige, dus staat bij het dichten centraal bij de doorlopende lijn kunstgeschiedenis. Er worden vele gedichten geschreven. Maar door reflexie op de poëzie en door de poëticale terminologie, wordt er tegelijkertijd de afstand aangebracht die met de volwassener bewustwordingsprocessen samenhangt. De ervaring leert dat ze het schrijven zelf heel leuk vinden, en het analyseren van gedichten 'zonde' van het mooie. Dus opnieuw zie je dat we proberen aan te sluiten waar ze zijn en stof aanbieden die te maken heeft met waar ze naartoe groeien. CKV 3 - drama Op de vrijeschool in Den Haag hebben we gekozen voor CKV3-drama, als een verplicht vak in het vrije deel. Dat heeft te maken met een andere doorlopende leerlijn die al bestaat sinds de schoolstichting: toneelspelen. Dat wordt vanaf de kleuterschool gedaan en houdt niet meer op. In bijna elke klas wordt een volledig toneelstuk met kostuums, decors en teksten opgevoerd, waarbij alle kinderen een rol krijgen. Zo'n toneelstuk is voor een klas vaak een enorme sociale impuls en leerlingen individueel kunnen op zo'n moment vaak even boven zichzelf uitgroeien, zich ontplooien. Deze leerlijn toneel verzilveren we bij CKV3 voor de tweedefaseleerlingen. Aan de hand van het begin van de periode Toneelgeschiedenis hoop ik de aanpak vanuit de levensvisie van onze school duidelijk te kunnen maken. Daarna vertel ik kort hoe ik wereldliteratuur uit het vak CKV1 op de vrijeschool geef.
Het ontstaan van het Griekse drama De toneelgeschiedenis start in de meeste leerboeken met de Griekse tragedies. Zo ook op de vrijeschool. Er wordt traditioneel altijd benadrukt dat veel van het ontstaan van het Griekse drama in nevelen gehuld is. De inwijding op grond van deze mythe vond plaats in september/oktober en begon met een rituele reiniging in zee. Daarna werden heilige voorwerpen in processie naar Eleusis gebracht. De plechtigheden omvatten drie fasen. Op de avond van 21 september vond de eerste fase van de inwijding plaats. De ingewijden, die gevast hadden, kregen een speciaal drankje te drinken en daarna kregen zij de heilige voorwerpen te zien (de epoptie). Wat dit voor voorwerpen waren, weten we niet precies.
De eerste lessen toneelgeschiedenis op de vrijeschool: Apollo en Dionysos
Apollo was de god van de zon én van de snaarmuziek. Hij was bovendien verbonden met het logische denken en het koele Noorden. De beelden van Apollo zijn beelden voor de harmonie, rust en krachtige vormentaal (die o.a. zichtbaar is op randversieringen van vele Griekse vazen) Zulke versieringen laat ik de leerlingen zelf namaken en op het bord maak ik in blauw en wit een mooie voorbeeldtekening en op papier staan enkele alternatieven.
De eerste, Dionysos-Zagreus genoemd, werd als zoon van Zeus en Persefone geboren. Op Hera's aandringen wordt hij door de Titanen in stukken gescheurd en dat hij dit overleeft, dankt hij aan Pallas Athene, die zijn hart aan hun gemeenschappelijke vader Zeus geeft. Zeus koestert het hart totdat het groot genoeg is om opnieuw geboren te worden. Deze Dionysos-Zagreus is helderziend en kon door zijn volgelingen net als Apollo in Delphi geraadpleegd worden. Het andere Dionysos-verhaal gaat over Dionysos-de-jongere, de zoon van Zeus en Semele. De keuze voor deze twee mythen heb ik gemaakt vanuit wat ik weet dankzij de antroposofie. De tweede Dionysos-mythe verhaalt van een Godheid die de mens leert de aarde te bewerken en die tegelijkertijd sturing geeft aan de (in oorsprong) goddelijke krachten waarover we als mens beschikken.
Achtergronden van de school Zoals gezegd geven we als vrijescholen de inhoud van de lessen niet als doel op zich, maar opdat de leerlingen er in hun specifieke ontwikkelingsfase aan kunnen groeien. We richten welbewust de aandacht van de leerlingen op de lesstof, en daarmee indirect op zichzelf. Als je over de oude goden vertelt, kunnen ze zonder moeite het universele karakter van deze mythologische figuren herkennen. Apollo en Dionysos hebben een analogie met hun binnenwereld. Daarom merk ik vaak een intense aandacht bij dit soort kernthema's. Wij brengen als leraar op de vrijeschool deze twee als goden aangeduide krachten in verband met de leeftijdsfase van de 16/17-jarige. Als je gaat kijken zie je ze als het ware zó in je klas zitten. Ook in de twee verschillende geboorteverhalen van Dionysos valt ons een gelijkenis op met de 17-jarige: op de grens van zijn adolescentie wordt hij herinnerd aan de kinderlijke levensfase waarin alles vanzelfsprekend was. Waarin hij alleen instinctief en ongeleid op 'lust' uit was, zoals de Satyrs en Maenaden, de volgelingen van Dionysos. In het tweede verhaal krijgt de leerling zijn voorbereiding op het zelf verwerven van wijsheid en inzicht voorgespiegeld, de krachten van zelfsturing en autonomie en volwassen-zijn. Je zou zelfs kunnen zeggen: een vooruitblik op de geboorte van zijn 'Ik'.
Nu nog over een tweede periode, als ze een jaar ouder zijn. In het onverkorte lesprogramma krijgen de zesdeklassers drie weken lang Wereldliteratuur, dus 30 klokuren. Een grote rijkdom die al vanaf 1920 vanzelfsprekend is op de vrijescholen. De leerlingen verheugen zich op deze periode, omdat ze hopen dan een samenhang te krijgen in alle vertelstof en cultuurgeschiedenis die ze in de loop van twaalf jaren vrijeschool gehoord hebben. Een soort apotheose. In de eerste week behandel ik de oergenres: de mythen, de sagen, de sprookjes en de legenden en bovendien breng ik in herinnering de eerder vertelde grote epen van India, Perzië, Mesopotamië en Griekenland. Ik duid werken aan zoals die van Ovidius en Dante. Dat alles doe ik door in korte tijd de thema's en/of het verhaal samen te vatten. Vaak in de vorm van een socratisch gesprek, op basis van wat ze zich herinneren. Verder komen allerlei thema's aan de orde zoals: de Bijbel en de humanistische literatuur in Renaissance en Interbellum; het sonnet, van Petrarca, via het Petrarkisme naar de jaren 70; de Romantiek en de humor. De leerlingen verwerken zo'n ochtend reproducerend of actiever, door een beschouwing, gedicht of tekening naar aanleiding van de behandelde stof. In de vier oergenres weerspiegelt zich de ontwikkeling van het bewustzijn van de mensheid als geheel. In de oudste tijden was de mensheid een vanzelfsprekend onderdeel van de godenwereld; hij ervoer zichzelf nog niet bewust. De mythe speelt zich dan ook geheel af tussen godenfiguren. Daarna raakt de mensheid geleidelijk afgesnoerd van de godenwereld: de 'Götterdämmerung', de tijd waarin verhaald wordt van mensen met reuzenkrachten: de sagen. In sprookjes gaat het altijd om figuren die een beeld zijn van de mens zelf, van wat zich in onze ziel afspeelt. Niets menselijker dan sprookjes. Toch is met de sprookjes het beeld van de menselijke ziel nog niet rond. Als de mens zijn vrijheid t.o.v. de goden verworven heeft, kán die mens ervoor kiezen om zelf opnieuw zich met de geestelijke wereld te verbinden (de letterlijke betekenis van het woord 'religie'). Daarvan verhalen de heiligenlegendes. De oude verhalen De eerste week eindigt met een werkstuk dat in 4 klokuren gemaakt kan worden. Daarvan luidt de opdracht: 'Beschrijf vorm en inhoud van een werk uit de wereldliteratuur dat je altijd al hebt willen leren kennen, maar dat voorlopig veel te dik is om zelf te lezen'. Ze werken dan graag in de mediatheek, maar ook wel in de klas. Soms wordt één van de epen gekozen die ik tijdens de eerste drie dagen behandeld heb, maar vaak ook werken zoals Don Quichotte, Duizend-en-één-nacht, de Bijbel, de Koran, Gullivers reizen, Ulysses, Isabel Allende, Marquez, of een actuele auteur. De tweede en derde week van deze periode richt ik me op de Russische literatuur. Dan behandelen we chronologisch de 19e en 20e eeuwse Russische auteurs. De Russische cultuur komt veel minder vanzelfsprekend tot ons dan de Amerikaanse. Maar we zitten in Europa niet voor niets tussen deze twee uitersten! In Rusland heeft het woord, de literatuur een geheel andere plaats in de samenleving. Het scheppingsverhaal uit het evangelie van Johannes ("In den beginne was het Woord') staat daar centraal, terwijl voor de Westerse wereld de schepping van de materie in de eerste zes dagen voorop staat in het bewustzijn. Het blijkt dat de gedachten van Dostojewsky en Tolstoj bijzonder sterk aanspreken op deze leeftijd. Natuurlijk kiezen de leerlingen bij voorkeur dunne boeken, maar als ze eenmaal bezig zijn, worden ze enthousiast omdat ze hun eigen idealisme bij deze ouderwetse schrijvers zo goed herkennen. Gedachten van Dostojewski zoals 'De misdaden van de groten der aarde leveren standbeelden op, omdat ze er de wereld beter mee maken' en 'De schuldenaar weet beter dan wie ook wat zijn straf moet zijn.' en van Tolstoj 'De uiterlijke verhoudingen zijn niet belangrijk. Het belangrijkste zijn de inspanningen die iemand zich getroost heeft om uit verkeerde verhoudingen los te komen.' of het verhaal van zijn biografie: wat je kunt doen om de kloof tussen arm en rijk kleiner te maken, dat zijn ideeën die een twaalfdeklasser sterk aanspreken. Ze voelen zich op die leeftijd tot heel wat in staat, en als ze gezond zijn opgegroeid, willen ze met die kracht de wereld helpen verbeteren. Mijn opdracht aan deze achttienjarige leerlingen luidt: 'Geef elkaar les over een onderwerp uit de Russische literatuur, waarbij je 15 minuten informatie-overdracht doet en 7 minuten verwerkingsopdracht.' Dan vertellen ze over een boek of schrijversleven, sommigen voor wie dat te hoog gegrepen is vertellen een Russisch sprookje, en vervolgens geven ze hun collega's een opdracht. Bij voorbeeld een brief te maken aan een hoofdpersoon, of een tekst voor op een tegeltje, of ze leiden een discussie over een controversiële stelling of over de symboliek van het sprookje, Ze bereiden alles zelfstandig voor en ik zorg voor de grotere verbanden en de niet behandelde belangrijke werken. Soms gaan we met elkaar op zoek naar de symboliek van Russische sprookjes, die aan het begin van de les in de tweede en derde week verteld worden. Voor de leerlingen sluit zich hiermee een cirkel die in de kleuterklas begon, waar elke dag een sprookje werd verteld.
Slot Steeds verbinden we op de vrijeschool in onze periodes de vakken geschiedenis, kunstgeschiedenis en literatuur met elkaar, en we stemmen dat af op de ontwikkelingsfase van de leerlingen. In de hoogste twee klassen die hier besproken zijn, kunnen de spirituele aspecten uit de genoemde literatuur vrijelijk besproken worden. Natuurlijk alleen in dialoog en in de mate waarin de leerlingen ernaar vragen. Maar zoals gezegd, de leerlingen verheugen zich op deze periode en we komen meestal tijd te kort.
C. Hupperts e.a., Arche 3; mythe en werkelijkheid bij de Grieken; Hermes, Hades en Demeter. Leeuwarden [Eisma], 1985. |
||||||||
|







De beroemdste inwijdingsfeesten uit de klassieke Oudheid werden jaarlijks gevierd te Eleusis bij Athene. Als achtergrond diende de mythe van de graangodin Demeter, wier dochter Persephone (Kore) door Hades was geroofd en naar zijn rijk, de onderwereld, gevoerd. Op bevel van Zeus moest hij haar echter teruggeven toen Demeter uit droefheid de aarde liet verdorren. Vóór zij vertrok, gaf Hades het meisje de pitten van een granaatappel te eten en verplichtte haar daarmee een deel van het jaar in de onderwereld door te brengen.
En hier ligt de oorsprong van het drama!
De eerste les vertel ik over het beeldkarakter van de Griekse mythologie en over de God Apollo.
De tweede les vertel ik over Dionysos en leg ik uit hoezeer hij een vreemd element in de Griekse cultuur was. Hij bracht de beweging. Er zijn twee totaal verschillende mythes over zijn geboorte bekend.
In de derde les vergelijk ik de Apollinische en Dionysische mythen en vaasversieringen. 