Jubileumavond
Er zullen vele kunsten zijn op de jubileumavond. Deze brochure gaat over de literatuur. Voor andere kunsten is het moment zelf al vaak voldoende: pure aandacht bij een schilderij of een beeld brengt dat in onze ziel tot leven. Dat geldt zeker voor de kunsten die zich in de tijd afspelen, zoals de muziek voor cello of de euritmie: daar is de gedegen voorbereiding van de kunstenaars voldoende voor onze belevenis op de avond zelf. Maar een prozaschrijver kan niet een heel boek voorlezen. Om de ontmoeting met de schrijver tot een belevenis te maken, zou u zich kunnen voorbereiden met deze brochure of door een heel boek te lezen.
Over Kader Abdolah
Kader Abdolah heeft in zijn werk steeds weer een ontroerende ruimte voor de niet bewijsbare maar wel beleefbare realiteiten. Dat kunnen gestorvenen zijn, maar ook afwezigen, (zoals zijn familie die in Iran is gebleven, terwijl hij nu een kleine 15 jaar in Nederland woont), of nog veel abstracter: het boek dat al bestaat maar nog opgeschreven moet worden.
Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadgadi Ghaemuraghami Frahani ) werd in 1954 geboren in Iran. Hij groeide op in een religieuze familie. Zijn betovergrootvader- die premier van Perzië en dichter was – werd door de mannen van de sjah vermoord. De vader van Kader Abdolah was tapijtknoper in de zeer religieuze stad Arak. Hij was doofstom en Kader Abdolah kreeg als jongetje de vaderrol opgelegd. Hij zorgde voor zijn vier zussen en een broertje. Zijn oom – die bij hen woonde – leerde hem de Perzische klassiekers kennen. In 1972 ging Kader Abdolah natuurkunde studeren in Teheran en hij rolde al snel in het – linkse – studentenverzet tegen het dictatoriale regime van de sjah. Deze groep is grotendeels uitgemoord, eerst door de volgelingen van de sjah, later door die van Khomeiny. Kader Abdolah schreef twee clandestiene boeken. In 1985 werd de situatie te gevaarlijk en Abdolah vertrok uit Iran. In 1988 kwam hij naar Nederland. Zijn broer is vermoord, zijn zus belandde in de gevangenis.
Kader Abdolah heeft in zijn werk steeds weer een ontroerende ruimte voor de niet bewijsbare maar wel beleefbare realiteiten. Dat kunnen gestorvenen zijn, maar ook afwezigen, (zoals zijn familie die in Iran is gebleven, terwijl hij nu een kleine 15 jaar in Nederland woont), of nog veel abstracter: het boek dat al bestaat maar nog opgeschreven moet worden.
Schrijven doet hij, elke dag. “Al is het maar één zinnetje. Schrijf ik een dag niet, dan word ik ziek”.
Over zijn werk
In korte tijd maakte Abdolah zich de Nederlandse taal eigen en hij schrijft zijn boeken dan ook in het Nederlands. Hij publiceert verhalen en vertaalt Nederlandse poëzie en literatuur voor Iraanse ballingen. Zijn Nederlandse debuutbundel ‘De adelaars’ werd bekroond met het Gouden Ezelsoor voor het bestverkochte debuut van 1993. Naar aanleiding van de bundel werd Abdolah uitgenodigd in het programma I.S.C.H.A. In 1995 verscheen de bundel ‘De meisjes en de partizanen’, die op de short-list voor de AKO-prijs terecht kwam. De verhalen werden in de pers overwegend lovend besproken. Helaas was niet iedereen blij met zijn openhartige verhalen en Abdolah werd diverse keren lastig gevallen, hoogstwaarschijnlijk door sympathisanten van het regime in Iran.
In 1997 publiceerde Abdolah zijn eerste roman, ‘De reis van de lege flessen’, een roman die zich afspeelt in Nederland. De ik-figuur is een vluchteling uit Iran. De roman ‘Spijkerschrift’ uit 2000 speelt zich bijna helemaal af in Iran, beter nog: in het Perzië van Abdolahs grootvader en vader.
In 2002 verscheen bij Bert Bakker een nieuw boek: ‘Kélilé en Demné’, een bewerking van een klassieker uit de Perzische literatuur. In 2003 volgde ‘Portretten, en een oude droom’. Dit is een boek dat ontstond naar aanleiding van een tournee door Zuid-Afrika.
Kader Abdolah is ook columnist bij De Volkskrant. Deze columns, ‘Mirza’ (= croniqueur), zijn gebundeld uitgegeven. Ze werden in 1997 bekroond met de Media-prijs. In 2001 verscheen het vervolg ‘Een tuin in de zee’.
Abdolah was in de zomer van 1999 gast van Adriaan van Dis in het VPRO televisieprogramma Zomergasten.
Bibliografie
1993 De adelaars (verhalen)
Een bundel verhalen over zijn bestaan als vreemdeling in een andere cultuur. Ze geven een indringend beeld van de benauwenis van het verblijf in asielzoekers- en opvangcentra.
1995 De meisjes en de partizanen (verhalen)
Gecombineerd met de vorige titel is deze bundel goedkoop verkrijgbaar onder de titel ‘Verhalen’.
1997 De reis van de lege flessen (roman)
Als “verteller” in deze roman fungeert de Iraanse banneling Bolfazl die een huis krijgt aangeboden in een dorp aan de IJssel. Een paar lege flessen die langs de rivier liggen, doen Bolfazl denken aan de lege flessen die zijn grootvader verzamelde. “Ze dragen allemaal een deeltje van onze familiegeschiedenis in zich. Ze vertellen over de daden en de geheimen van de mannen van dit huis, die er niet meer zijn”. Zo legt Bolfazl een link tussen zijn twee landen, Iran en Nederland, door voortdurend een koppeling te maken tussen gebeurtenissen en voorwerpen in en rond zijn nieuwe huis in Nederland, en de oude klassieke Perzische verhalen in zijn geheugen. De pruimenboom in de tuin van de nieuwe buurman is ook de pruimenboom van zijn moeder, de enorme antenne op het dak voert hem naar de waterput uit zijn jeugd waar zijn vader in de stille nacht eens huilde. En de grote kracht van Abdolah is dat hierdoor een aangrijpende roman ontstaat, met op de achtergrond niet de verschillen tussen twee culturen, maar de overeenkomsten.
“ Als je van een taal houdt, begin je van een volk te houden. De IJssel stroomt nu door mijn gedachten, ik heb nu duizenden koeien in mijn hoofd. Ik zie nu groene landschappen. Nederland is niet gewoon een land voor mij, ik heb van Nederland een wereld gemaakt, Abdolah’s wereld, en daar hou ik wel van”.
1998 Mirza (columns)
In 1995 vroeg de Volkskrant hem om een column te schrijven. Dat doet hij sindsdien wekelijks, onder het kopje “Mirza”. “Vroeger hadden de Perzische koningen een eigen schrijver in dienst die al hun daden vastlegde, een “Mirza”, een man die de pen hanteert” .
2000 Spijkerschrift (roman)
Ook in zijn roman “Spijkerschrift” laat Kader Abdolah zien de gedrevene te zijn die niet alleen namens zichzelf spreekt, maar vooral namens anderen, die zich niet of onvoldoende kunnen uitdrukken. De roman gaat over zijn eigen vader. Een doofstomme vader in een klein Iraans dorp aan de voet van een gebergte. En over een zoon die zijn venster op de wereld is. Spijkerschrift is een ontroerende roman waarin de vader uitgroeit van een zielenpoot met een gebrek tot een sterke persoonlijkheid, eigenzinnig en respectabel, die zich volledig inzet voor zijn vrouw en zijn kinderen. Maar bovenal is het een roman die leert dat je als banneling niet tussen twee culturen in hoeft te vallen, maar ook binnen twee culturen geborgen kunt leven.
2001 Een tuin in zee (columns)
Een vervolg op de bundeling ‘Mirza’. “Romans schrijf je vanuit je ziel. Maar in een column beschrijf je de dagelijkse gebeurtenissen. Daarvoor moet je reageren op wat zich voordoet in de Nederlandse samenleving”.
2001 De koffer (introductie)
Als boekenweekgeschenk van de provincie Overijssel werd dit boekje met een biografie, een essay over Abdolah en een nieuw verhaal geschonken aan alle leerlingen van 3 vmbo, 4 havo en 5 vwo en aan alle cursisten Nederlands in Overijssel
2002 Kélilé en Demné (bewerking)
Verhalen zijn van alle tijden en alle culturen. Soms zijn verhalen zo mooi dat ze door een andere cultuur worden omarmd. Dat is het geval met “Kélilé en Demné”. Zo’n drieduizend jaar geleden beval de sjah van India ze op papier te zetten. De sjah van het Perzische rijk hoorde ervan en liet ze naar Perzië smokkelen. De Perzen maakten er een Perzische verzie van. Een paar eeuwen later werd er een Arabische geest aan toegevoegd. Nog een paar eeuwen later kwam het boek weer terug in Perzië, en weer werd het voorzien van nieuwe verhalen. Nu, vijftien eeuwen later, is het Kader Abdolah die er een Nederlandse versie van maakt.
“ Kélilé en Demné” speelt zich af aan het hof van India, waar de brahmaan Bidpa prachtige verhalen aan de sjah vertelt. Elk verhaal leidt onmiddellijk tot een nieuw verhaal, en de personages maken zelf ook gebruik van verhalen, over vriendschap, vijandschap, verraad en liefde.
2003 Portretten en een oude droom (roman)
Dit is een boek dat ontstond naar aanleiding van een tournee door Zuid-Afrika. Abdolah zegt hierover: ‘Ik had nooit gedacht dat ik nog eens een boek over Zuid-Afrika zou schijven, maar toen ik er vorig jaar op tournee was, kwam opeens een belangrijk stuk van mijn verleden terug. Het was alsof ik na een lange tijd weer thuiskwam. Ik kon er niet meer van slapen. Mijn hoofd maakte steeds maar zinnetjes en het land dwong me een pen te pakken. Mijn reis door Zuid-Afrika werd tegelijkertijd een reis naar mezelf. ‘Portretten, en een oude droom’ is dan wel geen autobiografisch boek geworden, maar alles wat erin staat is van mij.’
Om de ik-figuur heen komt zijn Perzische vriendenkring tot leven. Geleidelijk blijkt hoe sommigen van hen aan hun einde gekomen zijn, en in Afrika een nieuw bestaan willen opbouwen. Daarnaast krijgen oude Perzische dichters een stem. Hier een drietal voorbeelden.
1 – Een oude Arabier vertelde mij:
Ooit was ik verdwaald in de woestijn en ik ging bijna dood van de honger. Ik vond een zakje. Zaten er gebrande tarwekorrels in? Nee, het waren helaas juwelen!
Saadi, ‘De rozentuin’, geciteerd door Kader Abdolah
(In: ‘Portretten en een oude droom’, 20031, p. 127)
2 – Een nieuwe lente wekt een oud verlangen
En heeft een web van peinzen uitgehangen,
Als jonge bloesem aan het oude hout
Uit dode grond het leven heeft ontvangen.
Waar ik ook naartoe ga, hoor ik de kwatrijnen van Omar Khayyam. Ik ken ze allemaal uit het hoofd. Maar het vreemde is dat ik telkens weer een nieuw gedicht van hem hoor waarvan ik zeker weet dat het niet van hem is.
Volgens mij maakt men nieuwe kwatrijnen op zijn manier en zet men de naam van de meester eronder. Verrassend dat ze soms mooier zijn dan de oorspronkelijke.
Kader Abdolah (In: ‘Portretten en een oude droom’, 2003 1, p. 175)
3 – De nacht
Hoewel de nacht overbodig mooi is
waarom is de nacht mooi?
voor wie is de nacht mooi?
de nacht en
een oneindige rivier van sterren
koude stroom…
Shamloo, geciteerd door Kader Abdolah
(In: ‘Portretten en een oude droom’, 2003 1, p. 185)
Uit de kranten
Marnel Breure (Vrij Nederland) prijst ‘De adelaars’ om het “sobere, soms haast rudimentaire taalgebruik waarvan een suggestieve kracht uitgaat.” Breure spreekt van een “bijzondere literaire prestatie” en “een kleine revolutie in de Nederlandse letteren”.
Arjan Peters (de Volkskrant) heeft op enkele verhalen uit ‘De meisjes en de partizanen’ kritiek - hij vindt ze soms ‘sentimenteel boodschapperig’ – maar andere verhalen vindt hij schitterend, zoals de prozagedichten ‘En toen waren wij aan de beurt’ en ‘Oosterse sluiers’ en het verhaal ‘De brief . Peters spreekt van “bijzonder, gedrongen Nederlands, dat zijn woorden de verlangde bezwering geeft.”
Xandra Schutte (De Groene Amsterdammer): “Sommige verhalen ademen de poëtische sfeer van de oude Perzische dichters. (...) De verhalen waarin de werelden en tijden pijnlijk botsen zijn het best geslaagd. De sobere stijl van Abdolah werkt daar het best, het zijn waarschijnlijk de verhalen die hoognodig moeten worden verteld. Want het is duidelijk dat de diepe treurigheid en eenzaamheid van de personages door het vertellen van verhalen kan worden verlicht.”
Janet Luis (NRC-Handelsblad) schrijft naar aanleiding van ‘De reis van de lege flessen’: “Als er al van invloed gesproken kan worden dan neigt Abdolah eerder naar Nescio dan naar Mulisch. Maar vooralsnog lijkt hij met zijn compacte, hoekige, nadrukkelijke en bewonderenswaardig heldere taalgebruik in de eerste plaats op zichzelf.”
Desiree Schyns (Trouw):”Spijkerschrift is het meest overtuigende boek van een schrijver die zich een unieke plaats in de Nederlandse literatuur heeft verworven.[…] Kenmerkend voor de stijl van Kader Abdolah is het gebruik van korte, onopgesmukte zinnen die uitstekend passen bij de Hollandse nuchterheid en efficiëntie die de schrijver als buitenstaander met gevoel voor het komische in de Nederlandse samenleving observeert. “
Schrijven doet hij, elke dag. “Al is het maar één zinnetje. Schrijf ik een dag niet, dan word ik ziek”.
Een Perzisch kerstverhaal
Vanaf december was alles soms weken bedekt door de sneeuw. En de scholen gingen dicht. De mannen begonnen hier en daar een tunnel te graven onder de sneeuw in de bergen zodat we weer naar school konden. De klaslokalen waren koud. We moesten wachten tot de conciërge uit een ander dorp te voet met bevroren snor op kwam dagen. Eerst warmde hij zijn handen op. Daarna kwam hij met een fakkel in zijn rechterhand en een bak naft in zijn linker om de kachels te laten branden. Met dikke kleren aan zaten we op de banken te wachten tot het warm werd. Pas als de klas eenmaal warm was, verscheen de meester.
Wanneer de school uit was, holden de kinderen als vossen door de sneeuw, over de rotsen naar huis. Thuis kropen we onder de kachel. De winterkachels die bestonden uit een tafel met het smeulend vuur er onder en een grote wollen deken erover heen.
Toen ik onder de kachel kroop, wist ik niets over de andersgelovigen. Wij waren Mohammedaan en ik wist niet beter dan dat Iessa (Jezus) ook een profeet was. Iemand die door onze eigen profeet goedgekeurd was. Ook mijn vader vond hem een goede profeet. Maar onze keuze ging naar Mohammad. Hij was de laatste en de laatste was de beste. Ik wist dat mijn vader het liever niet over Marjam (Maria) wilde hebben. Hoewel in het heilige boek stond dat zij door Djebraiel zwanger was geraakt, merkte ik dat hij de Marjam’s soera over sloeg. Ik las de twijfel op zijn gezicht over Marjam’s verhaal. De Marjam’s soera was de enige die ik niet uit het hoofd hoefde te leren.
Kinderboeken hadden we voor onze lange winters niet. Alleen Perzische klassieken. Radio en t.v. behoorden nog tot de zondige apparaten. Feestavonden waren ook niet voor ons bestemd. Wel kwamen mannen bij ons over de vloer om gezamenlijk uit de Koran te lezen:
“ Tahamolate galoe Marjam lagad djeat...
Toen Marjam het kind baarde en naar het volk bracht, zei iedereen: “O, Marjam schaam je. Jij hebt iets vreselijks gedaan.”
Andere gezinnen die niet zoals wij gelovig waren, hadden andere bezigheden voor hun lange winteravonden. Men nam vertellers mee naar huis. Hashem de verteller was de beste van de streek. Hij was een oude man van een jaar of tachtig die prachtige verhalen kon vertellen. Omdat hij oud was en zijn ogen niet goed zagen was hij welkom in de binnenplaats van vele moslimgezinnen. Hij kwam rustig tussen de vrouwen en de kinderen zitten en vertelde zijn verhaal.
Maar wij hadden hem niet nodig. Wat hij wilde vertellen stond wel in onze boeken op de schoorsteenmantel zei mijn vader. We mochten zelf een boek pakken, naast de kachel gaan zitten en lezen wat we heerlijk vonden.
Eens moest mijn vader een paar nachten weg. Zijn moeder was ziek geloof ik. ’s Avonds klopte er iemand op de deur. Het was Hashem de verteller. Je vader vindt het goed dat ik vanavond bij jullie verhalen kom vertellen, zei hij. ‘O, komt u binnen,’ zei ik en waarschuwde mijn moeder dat er een vreemde binnenkwam. Dorstig naar wat hij wilde vertellen, leidde ik hem naar de binnenplaats. ‘U bent welkom karbalaie Hashem,’ zei mijn moeder en sloeg haar chador om. We boden hem de beste plek van de kachel aan. Hij ging zitten. Mijn moeder zette een glas thee en een schaal dadels voor hem neer. Hij dronk zijn thee op, nam een paar dadels, keek even rond naar ons, mijn zeven zusters en ik. ‘Doe het licht uit, jongen,’ zei hij. Ik deed het licht uit en liet één kaars branden op de schoorsteenmantel. ‘Salame braje oe...
Mijn salam voor hem,’ zo begon hij het verhaal van de geboorte van Iessa de profeet te vertellen.
‘ Salame baraje roezie ke...
Mijn salam voor de dag waarop hij geboren is en voor de dag waarop hij is gestorven en voor de dag waarop hij weer tot leven zal komen,’ ging hij verder, ‘gale ennema an alrasoel...,
Ik ben een boodschapper van Allah, zei Djebraiel tegen Marjam. En ik wil je een zoon geven.’
‘ La ean konto taggieja,’ riep Marjam.
‘ Rebokal golman zakieja...
Het is een besloten zaak,’ zei Djebraiel.
‘ Wa lam jamssanie bashar wa lam ak baggieja...
Hoe kan ik een zoon ontvangen, terwijl geen man mij heeft aangeraakt.’
‘ Howa aliool haen...
Het is eenvoudig, zoals de Heer het wil.’ Marjam trok zich terug van haar volk in een afgelegen oord. Zij lag bij de voet van een dadelboom. Djebraiel nam naast haar plaats. En zij ontving hem.
’ s Morgens toen ik wakker werd, scheen de zon op de kachel. De plek waar karbalaie Hashem had gezeten, was leeg. Ik was in slaap gevallen, maar de avond, Djebraiel die alleen een boodschapper was, kon ik niet vergeten. Vooral de magische woorden die Iessa als pas geboren kind in de wieg in het Perzisch uitte: “Salam voor mij. Salam voor de dag waarop ik geboren ben...”
Ik beschouwde Iessa altijd als de profeet van de mensen die in verre landen woonden. Tot mijn verbazing ontdekte ik dat de dorpelingen die één berg verder dan ons woonden ook in Iessa geloofden. Hun dorp heette Masihadorp (Messiasdorp). Hoewel in het heilige boek hun geloof was erkend, handelden de moslims niet met hen. We gaven geen dochter aan hen en het was verboden om een dochter van hen ten huwelijk te vragen. We aten niet uit hun borden en gaven ze geen hand.
Op een van de avonden van dee (december), toen ik als jongen van veertien naast de kachel in slaap was gevallen, hoorde ik mijn moeder die zuchtte:
“ Wakker worden jongen. Word wakker.” Ik stond meteen op. Mijn vader was niet thuis. Hij had me wel gewaarschuwd voordat hij wegging:
“ Ik probeer het op tijd te komen, maar er kan van alles gebeuren. Wees alert. Let op je moeder.” Mijn moeder moest van haar negende kind bevallen. Na lange tijd waarin ze niet zwanger raakte, was ze plotseling weer zwanger. Haar kinderen waren groot en ze schaamde zich voor die zwangerschap daarom sloeg ze altijd haar chador om haar rug.
‘ Haast je,’ riep ze. ‘Ga de vroedvrouw halen!’ Ik kleedde me snel om, trok mijn laarzen aan en ging gauw naar de enige oude vroedvrouw die bijna alle mannen van haar omgeving op de wereld had gebracht. Zodra mijn tantes en de buurvrouwen mijn haastige voetstappen in de sneeuw hoorden kwamen ze uit het donker te voorschijn en snelden naar ons huis. Voor de deur van de vroedvrouw hoefde ik niet lang te wachten met de eerste klop op haar deur, kwam ze meteen naar buiten. Ik droeg haar tas. Ze rolde haar chador onder haar armen en we gingen huiswaarts. De onrustige voetstappen van de ervaren vroedvrouw maakten duidelijk dat ze geen makkelijke bevalling verwachtte. Ik bleef in de binnenplaats wachten en de buurmannen lagen wakker in bed. Mijn moeder gilde. Mijn tantes waren onrustig.
Na een halfuurtje kwam de vroedvrouw naar buiten. Het lukt me niet, zei ze tegen de vrouwen. Ik kan haar niet helpen. We moeten madam Rachel halen. Toen wende ze zich tot mij:
“ Vooruit! Neem de muilezel. Ga snel naar het Masihadorp, ook al drinkt ze een glas water, laat haar meteen komen.’ Ze legde me uit hoe ik het huis van madam Rachel kon vinden.
Angstig reed ik op de muilezel in het donker. Van af een rots keek ik naar beneden, naar het dorp dat in de sneeuw tussen de stenen lag. In de nacht was het meestal een donkere plek, maar nu schitterde het dorp in het donker. Ik had het dorp nog nooit zo helder gezien. Ik reed de berg af en ging voorzichtig het dorp binnen. Op het dorpsplein hing overal een heerlijke geur. Een vreemde geur die ik niet kende. Een mengeling van een soort vers brood en rozengeur. Ik passeerde een simpel gebouwd kerkje. Wat ik toen niet kon begrijpen, dat men op die avond een soort voorlopige stal had opgebouwd waarin een namaak herder en een paar echte schapen, drie vorstelijke figuren en drie echte kamelen waren gezet. Tussen hen in stond een beeld van Marjam die een kind op haar schoot hield.
Ik zocht naar het huis van madam Rachel. Haar raam was verlicht. Een groot raam. Bij ons waren de ramen klein en er hing altijd een gordijn. Voor de woonkamer was versierd met papieren sterretjes en er stond een tafel met een maaltijd. De familie zat bij elkaar. Kinderen, jonge vrouwen die geen sluiers droegen. Ik klopte aan. Een vrouw met grijs haar deed de deur open.
‘ Goedenavond. Ik kom voor madam Rachel.’
‘ Dat ben ik. Wat is er jongen.’
‘ Een probleem. Mijn moeder kan niet bevallen. Zou u misschien snel langs willen komen?’
Nu ik er aan terug denk, weet ik dat het de avond voor kerst was. Ik had eigenlijk moeten zeggen: “Mobarak madam. Prettige kerstdagen.” Maar ik wist het toen nog niet, kende de traditie niet. Ik doe het nu, hoewel ze niet meer leeft en in de bergen begraven ligt: “Mobarakbad madam Rachel. Zalig kerstfeest mevrouw.” De geur van wat ik hier als suikerbrood herken, ruik ik nu opnieuw in mijn studeerkamer in Nederland. En het gebraden vlees dat in een schaal op tafel lag, zou niets anders kunnen zijn dan een haas waar er honderden van in de bergen van de ene rots naar de andere sprongen. De moslims joegen ze niet. Het was verboden, maar de bewoners van het Masihadrop vingen ze gemakkelijk met hun eenvoudige vallen. Nu ik de kerstfeesten met mijn Hollandse vrienden vier, weet ik hoe belangrijk dat feest voor de familie van madam Rachel was, desondanks haalde haar man zijn trekker uit de garage.
Ik op de muilezel en zij met de trekker naar ons huis, waar iedereen ongerust op madam wachtte en niemand wist dat we haar bij een belangrijk feest vandaan haalden. De christelijke ervaren vrouw hielp mijn moeder. En mijn broertje werd geboren. De volgende avond kwamen de oude mannen van onze familie bij elkaar om een naam voor de pas geborene te kiezen. Ze zetten een gaslamp op tafel en haalden het oude exemplaar van het heilige boek uit de kast tevoorschijn om een naam te zoeken. Grootvader deed zijn ogen dicht, kuste de kaft en opende het. De mannen bogen zich over de bladzijde die geopend was. Mijn vader las het citaat luid op:
“ Attenie alkotob en djaelnie nabieja...
Toen wees ze naar het kind. Maar iedereen zei, hoe kunnen wij tot een wiegenkind spreken?” Na een kleine aarzeling van mijn vader mochten we de geborene Iessa noemen.
Er ontstond een nieuwe relatie tussen mijn vader en de christelijken. Vroeger zwaaide hij alleen naar hen. Nu drukte hij hun hand, maar zodra hij thuis was, spoelde hij zijn hand wel af. ‘Neem Iessa maar eens mee naar mijn huis,’ zei madam Rachel een keer tegen mijn vader. ‘Goed,’ zei hij. Maar hij deed het niet. Als hij bij haar op bezoek ging, zou hij eerst in bad moeten voor hij zou gaan bidden. ‘Jongen, breng je broertje naar madam,’ zei hij tegen mij. Ik zette mijn broer in het zadel en reed naar Masihadorp. Daar vonden twee belangrijke gebeurtenissen plaats:
Madam Rachel gaf me een klein oud boek met een leren kaft, De bijbelse verhalen. Misschien was het helemaal niet nodig, maar ik heb het mijn vader nooit verteld. Nu staat het boek naast het heilige boek van mijn vader in mijn kleine Hollandse bibliotheek.
En ik verloor mijn hart aan een meisje dat bij madam Rachel was en mijn broertje in haar armen nam. En het was de eerste keer dat een man van mijn familie op een christelijke viel.
Volgens de Perzische traditie is het goed als je over overledenen droomt.
Het brengt geluk, het geeft voldoening en het is een zegen voor je leven. Maar de doden moeten jou niet aanspreken. Als ze dat doen, belooft het niet veel goeds. En als ze je aanraken, of omhelzen, is het misschien wel afgelopen met je, want op die manier maken ze duidelijk dat ze je missen en je willen meenemen.
Kader Abdolah, De koffer, blz. 10
Men kan geen punt achter een verhaal zetten. Verhalen hebben hun eigen wetten. Men is niet in staat om de loop van de verhalen te veranderen. Een verhaal is uitgestorven of een verhaal zal tot het einde der tijden leven.
Kader Abdolah, De reis der lege flessen, blz. 91