Het is ook de titel van een bloemlezing van zijn gedichten die ook aan beginners veel ruimte bieden. Lees maar de aanstekelijke inleiding van Guus Middag. Ik heb altijd een zwak gehad voor de gedichten van Jan Hanlo. Toen ik nog nooit iets van wie dan ook had gelezen en nu nog steeds, nu ik ook wel eens wat van iemand anders heb gelezen. Je slaat zijn verzamelbundel open en je leest bijvoorbeeld een heel zuiver en nauwgezet verslag van de geluiden die een mus maakt als hij zingt. ‘Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp'. Het wordt kalm achter elkaar genoteerd, twintig keer in totaal, en kalm afgesloten met een treffend ‘etc.' Drie voorbeelden. Drie keer een verrassende benadering, drie keer een lichte toon en drie keer valt er wat te grinniken. Het is vreemd: de gedichten van Hanlo hebben helemaal geen eigen of herkenbare vorm. Bij het mussengedicht volstaat hij met het herhalen van de klank tjielp, twintig keer. Je zou, sjiek, kunnen spreken van een modernistisch klankexperiment. Bij het liefdesgedicht zet hij keurig een hele reeks eenvoudige vergelijkingen achter elkaar. Je zou, weer sjiek, kunnen spreken van een lyrisch opsommingvers, of van een liedtekst in roubadourtraditie, of van een romantisch uitzingen in vrije vorm. En bij het gedicht voor Philippe kiest hij dan juist weer voor een onbeholpen stamelversje in praattoon, met wat kinderlijke rijmen en grappige brabbelingen. Een geleerde lezer zou er een poëticaal programma in kunnen zien waarmee de dichter de grenzen van de bestaande poëzieopvattingen heeft willen oprekken. Het lijkt wel alsof Hanlo per gedicht helemaal opnieuw begint, en al zijn voorafgaande gedichten is vergeten. Er zit geen enkel systeem in. Hij kan op een Vijftiger lijken, maar ook op een Tachtiger. Hij kan een dadaïst nadoen, maar ook een bedaagde negentiende-eeuwse dominee. Er zijn in zijn Verzamelde gedichten taalspelletjes te vinden, maar ook korte haikuachtige verzen, heel lange gedichten in een heel lang doorzeurende praattoon, sonnetten, balladen, nonsensverzen, tot aan stukjes proza aan toe, in het Engels, in het Antwerps, in het laatmiddeleeuws en in eheimschrift. En het zal na het voorafgaande geen verwondering wekken dat die gedichten over van alles en nog wat kunnen gaan: over honden, over kinderen, over de jaargetijden, maar net zo gemakkelijk over vloerkleden, verlanglijstjes, geluidsoverlast van vliegtuigen, de theorie van de zwaartekracht of de korriewedstrijden te Zaandam. Wat een raar geval. Een oeuvre dat eruitziet als een bloem lezing uit het werk van veel verschillende dichters, uit heel verschillende tijden en talen. Het zou een vooropgezet plan kunnen zijn. Er is in de jaren vijftig van de vorige eeuw wel eens gedacht dat Jan Hanlo niet echt bestond, maar dat zijn naam een collectief pseudoniem van de Vijftigers was. Het is zoals de leer van het modernisme het voorschrijft: de dichter die niet meer namens zichzelf spreekt, maar als een anonieme, onpersoonlijke instantie. Bij elk nieuw gedicht neemt hij een nieuwe gedaante aan.
Eén blik in Hanlo's chronologisch geordende Verzamelde gedichten laat zien dat er op dat mooie begin al meteen allerlei andersoortige gedichten volgden, en dat bleef zo tot het eind. Hanlo hechtte om een of andere reden enorm aan de chronologische volgorde, maar inhoudelijk of stilistisch is daar geen reden voor. Aan de volgorde van zijn gedichten valt geen enkele ontwikkeling af te lezen. En het is ook helemaal niet zo dat ze in de loop van de tijd beter werden. Er zit veel gebabbel, gezeur en ongein bij de latere poëzie, vooral bij de tien gedichten (geschreven tussen 1959 en 1967) die hij later nog aan zijn Verzamelde gedichten (eerste druk 1958) toevoegde. Als je iets overkoepelends over dit springerige oeuvre wilt zeggen, dan zou je het misschien eerder in de psychologie van de dichter moeten zoeken. Hanlo's neiging om steeds weer opnieuw te beginnen zou in verband gebracht kunnen worden met zijn verlangen om niet ouder te willen worden. In zijn biografie van de dichter (Zo meen ik dat ook jij bent, 1998) stelt Hans Renders Jan Hanlo voor als iemand die leed aan een Peter Pan-complex. ‘Ik wil altijd een kleine jongen blijven' zegt Peter Pan. In Hanlo's leven valt een grote trouw aan de jeugd aan te wijzen: aan zijn eigen kindertijd, aan kinderen en de kinderlijke blik in het algemeen, aan de zuiverheid en de onbedorvenheid van de kinderziel, en op een gegeven moment ook aan de schoonheid van de jeugd, de jongetjesjeugd in het bijzonder, waar zijn erotische belangstelling zich op richtte. Het besef dat de liefde voor jonge jongens een verboden liefde is, en de wetenschap dat hij steeds verder van de jeugd zou wegdrijven, kunnen de droevige toon in sommige gedichten verklaren. Zo'n gevoel van gemis, en van onbereikbaar geluk, vormt de achtergrond van Hanlo's lange gedicht dat begint met de regel ‘wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven'. Daarin is de normale volgorde van wieg naar graf omgedraaid. Het leven ziet er dan opeens een stuk vrolijker uit. Wij worden steeds gaver en harmonischer, we gaan steeds meer lachen en naarmate het leven vordert, komen we dan steeds dichter bij ‘de tijd van de jeugd, de tijd van de schoonheid'. Jeugd, schoonheid, waarheid. Het is het gedachtegoed dat Hanlo terugvond in de epigrammen van enkele Griekse dichters uit de oudheid. Hij heeft er een paar van vertaald, en ook gepubliceerd. Ze waren op het gebied van de jongensliefde uitgesprokener dan hij zelf in zijn gedichten durfde te zijn. Maar ook deze biografische achtergrond geeft geen beslissend inzicht in het curieuze oeuvre van Hanlo. Een gedicht als ‘Oote' wordt geen ander vers als we weten dat de maker ervan graag naar spelende kinderen keek. De dichter las graag de Donald Duck, zijn hele leven lang, maar die kennis maakt een raar, kinderlijk gedicht als ‘Jossie' niet ineens begrijpelijker. Zo gaat het vaak met biografische gegevens: wat heb je eraan? De dichter die zo van vogels en vogelgezang hield, was iemand die overdag graag aan zijn motor sleutelde en er graag en veel en hard mee reed. Op een van de mooiste foto's van Hanlo zien we hem op het circuit van Zandvoort, bij de start van een motorrace. Strobalen, de Vincent tussen de benen, voorwiel op de startstreep, pothelm op, starre blik en grimmige trek om de mond - klaar voor de wedstrijd. Een heel andere vorm van motorrijden was het ‘bij mezelf achterop zitten', wat Hanlo voor de grap wel eens deed. Hij schreef erover in een prozastukje, onder de titel ‘De verloren bestuurder': ‘Ik gaf de lange, stabiele motor een heel matig vaartje van 70 of 80 km op een goede rechte weg, en schoof een plaats achteruit tot op het uiterste puntje van de "dicky seat". Achter had ik ook voetsteunen, voor eventuele duopassagiers. De gashendel, nu heel ver weg, bleef in z'n stand zitten en met losse handen rijden was geen kunst, ik had wel op m'n knieën op het zadel kunnen zitten, met een beetje oefening dunkt me. Om het echt mooi te maken deed ik of ik in slaap was gevallen. Krom, het hoofd scheef en sterk knikkebollend met de hoge ouderwetse Cromwell-helm op. De armen over elkaar, bijna uit elkaar glijdend door de intense maar niet onbehaaglijke sluimering die mij klaarblijkelijk te pakken had. Onnodig te zeggen dat ik door mijn bijna gesloten ogen het wegdek, de zijwegen en eventueel verkeer op de eigen weg terdege in de gaten hield. Zo werden dan toeschouwers gepasseerd (...). De grootste kunst was het gezicht in de plooi te houden.' Een mooi fragment. Motorpoëzie! Maar voor een goed begrip van de andere poëzie van Hanlo heb je er natuurlijk niet veel aan. Dat geldt voor bijna alle biografische bijzonderheden, waarvan er intussen genoeg te noemen zijn. Met de motor heeft Hanlo, op zijn vijfentwintigste al, iemand aangereden - die als gevolg daarvan overleed. Hanlo raakte in 1947 in een psychose, werd opgenomen in een kliniek en behandeld, en zou volgens zijn biograaf bij die gelegenheid ook meteen gecastreerd zijn. Men hoopte hem zo van zijn ‘tegennatuurlijke' neigingen te genezen. Nog meer? Hanlo dronk wel eens bier met warme melk erin. Hij was een fel tegenstander van de fluoridering van het drinkwater. Hij was zijn hele leven een gelovig katholiek. Hij was enig kind. Hij was erg gesteld op zijn moeder, die hij altijd Mai noemde (eigenlijk heette Mai Anna, maar haar moeder had al vroeg spijt gekregen van die naam en haar daarom altijd Dolly genoemd). Mai rookte graag sigaren en pijp. Hanlo woonde lang in een heel klein portiershuisje, bestaande uit één kamer, tevens de garage voor zijn drie motorfietsen. Hij kon enorm zeuren over de plaatsing van komma's en punten. Hij nam in 1969 een Marokkaanse jongen uit Marokko mee naar Valkenburg, om hem een goede opvoeding te geven, maar dat liep al gauw mis en Mohamed moest terug. Een paar weken later raakte Hanlo zwaar gewond toen hij met zijn motor een ongeluk kreeg - en twee dagen later, op 16 juni 1969, overleed hij. Bizarre feiten genoeg. Zie daarvoor de biografie. Bizarre gedichten genoeg. Zie daarvoor zijn verzamelde gedichten. Maar zelden zijn biografie en werk nuttig met elkaar te verbinden. Er zijn weinig dichters over wie ik zoveel weet als over Hanlo, maar ik heb er niks aan op het moment waarop ik zijn gedichten ga lezen. Dan ben ik weer dezelfde lezer als die ik was toen ik Hanlo voor het eerst las. Een beginner. Dan ga ik weer die bijzondere wereld binnen waarin een dichter spreekt die ook alles wat hij wist weer vergeten lijkt te zijn, en zojuist weer helemaal opnieuw is begonnen. Als een kind. Een nieuwe bladzijde, een nieuwe dichter. Je kunt er zo mee beginnen. Een inleiding is niet nodig.
|
||||||||||||







