Na de langste nacht gaat het weer naar Sint Jan toe, de kracht van de zon gaat meer en meer voelbaar worden. Een van de zonnigste klassieke gedichten uit de Nederlandse literatuur wordt hieronder prachtig beschreven en bekeken. Liggen in de zon Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato Ik lig languit lig in mijn huid te zingen Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
Hans Andreus (1926-1977)
Van Sivaro De Nederlandse poëzie kent een aantal dichters die op zorgeloze wijze met de taal kunnen omgaan. Ze hebben een uitermate goed ontwikkeld gevoel voor woordklank, ritme en spraak waardoor de meest simpele zinnetjes door hen omgetoverd worden tot ware poëzie. Herman Gorter was zo'n dichter. Hans Andreus was er ook een. Ten onrechte werd hij ooit tot de Vijftigers gerekend. Wie naar zijn oeuvre kijkt en bijvoorbeeld zijn Sonnetten van de kleine waanzin ter hand neemt (1957), ziet dat zijn werk veel toegankelijker is dan het werk van de Vijftigers. Er schuilt een aan verlichting grenzend gevoel van humanisme in deze gedichten. Dit staat in groot contrast tot het werk van het merendeel van de Vijftigers, dat eerder nihilistisch en taalgericht is. Maar goed, zo zijn er meer Vijftigers die er op de keper beschouwd niet bij zouden moeten horen. Sla eens Het innerlijk behang (1949) van Hans Lodeizen open. Hoe hebben de Vijftigers in hem ooit hun voorloper kunnen zien? 'Liggen in de zon' is afkomstig uit Muziek voor kijkdieren, de bundel waarmee Andreus (eigenlijk Johan Wilhelm van der Zant) in 1951 in de door Ad den Besten geredigeerde Windroosserie (dl. 12) van uitgeversmaatschappij Holland debuteerde. Jan van der Vegt vertelt in zijn biografie van Andreus (de Prom, Baarn 1995) dat de dichter tijdens de samenstelling van de bundel veel andere titels overwoog, maar achtereenvolgens Partituur, Het vrolijke einde, Weer of geen weer, Muziek van brekend glas en Het leven der letters verwierp. Het lukt niet vaak om in het Nederlands een gedicht te schrijven, dat niet vol staat met woorden waar iedere spreker met zijn tong over struikelt. Maar Andreus weet de Germaanse valkuilen van het Nederlands handig te omzeilen. Hij doet dit enerzijds door simpele, haast kinderlijke zinnen te gebruiken en die te herhalen en anderzijds door veel 'lichte' klanken te gebruiken: de 'i' en de 'a'. Zware klanken als bijvoorbeeld de 'oe' of de 'ui', klanken die dus veel vragen van de mond en het strottenhoofd, worden gemeden. En tot slot hanteert hij de assonantie en een regelmatig terugkerend eindrijm om de tekst wat lichter en muzikaler te maken. Hierdoor wordt iedere notie van zwaarte, en wellicht ook van betekenis, zoveel mogelijk aan het gedicht onttrokken. Wat overblijft is een luchtig samengesteld tapijt van woorden. Al vanaf het begin springt één woord mij in het oog en dat is het woord 'pizzicato', een woord dat niet Germaans maar Romaans is en veel meer in de mond tot recht komt. ‘Pizzicato’ is het tokkelen in plaats van strijken van snaarinstrumenten. En hoe is de spreker er nu onder? Hij verzandt niet in zijn loomheid, noch vergaapt hij zich aan het lied van het zonlicht. De spreker treedt daarentegen actief op. Hij begint te zingen, 'in mijn huid'. Hij is duidelijk op zichzelf op zijn plaats en op zijn gemak. En hij weet dat er geen woorden bestaan voor zijn gemoedstoestand. Daarom begint hij te zingen, en daarom typeert hij zichzelf, opnieuw, als: 'dwaas zo dwaas'. Het fraaie, en eveneens het moeilijke, van dit gedicht is dat het een gemoedstoestand beschrijft waar geen eenduidig woord voor is. Hij noemt zichzelf 'dwaas', maar dwaas is geen omschrijving doch een waardeoordeel. En hij gebruikt het hier welbewust om zichzelf onkwetsbaar te maken voor het waardeoordeel van de mensen en de dingen. Het is een klassiek procédé dat ook de nar hanteert. Een nar kan uitdrukken wat hij wil, omdat men hem niet verantwoordelijk kan houden voor zijn daden. Voor de mensenmaatschappij is hij ontoerekeningsvatbaar, en daaruit bestaat zijn vrijheid. Dezelfde vrijheidsdrang is ook terug te vinden in Andreus' gedicht 'Voor een dag van morgen'. Ook hierin plaatst hij zichzelf en zijn gevoelens bewust buiten de wereld van de mensen. De laatste strofe sluit het geheel af. Deze begint plagerig met 'duidelijk zeer zuidelijk', waarbij het onduidelijk is wat er met zuidelijk bedoeld wordt. Slaat het op de woonplaats van Andreus, duidt het op een Mediterraans, of op nog zuidelijker ideaal? En waarom die treiterende herhaling, waardoor 'zuidelijk' extra nadruk heeft gekregen? Ik zou er een mooie hypothese aan kunnen hangen dat Andreus met dit woord het verstand van de lezer, en daarmee van de mensenmaatschappij, opzettelijk wil verwarren. Het zou kunnen, maar het lijkt mij te vergezocht. Het knappe van dit gedicht is dat het afsluit met een statement dat door het voorafgaande van alle overtollige ballast ontdaan is: 'ik weet alleen maar alles wat ik weten wil'. De pretentie van deze uitspraak is ongehoord. En toch doet Andreus deze haast tussen neus en lippen door in dit lichte, zomerse, haast schijnende gedicht, Met deze loodzware, existentiële uitspraak verankert hij ondubbelzinnig zijn positie: ik ben een dwaas die geniet van het wonderbaarlijke licht, en wat de rest ervan vindt, zal mij een zorg zijn. Licht en zwaarte, perfect in harmonie in dit gedicht. Je moet het maar kunnen.
Met toestemming overgenomen van Klassieker – Meander * Abonneren? Zend een e-mail aan majordomo@meander.italics.net met als inhoud: subscribe klassiekers
|
||||||||||||







