Zijn ruime uitzicht op het Oosterpark is gebleven, toen K. Michel moest verhuizen van een paar huizen verderop. Toch had hij deze gewelddadige buurt best willen verlaten – de moord op Theo van Gogh vond om de hoek plaats en dat is niet het enige wat hij van dichtbij heeft meegemaakt. De werk-/zitkamer heeft de dichter ook ruim gehouden: een bijna leeg, eenvoudig houten blad dient als bureau/tafel, de vele boeken, mappen en dossiers zijn in grote kasten verborgen, aan de muur hangt moderne kunst die veel ruimte open laat voor interpretatie. K. Michel praat gemakkelijk en geeft veel ruimte voor initiatieven; het gesprek zal vooral gaan over de manier waarop zijn gedichten tot stand komen. Toen we op weg gingen om K. Michel te ontmoeten, hing de school vol met aankondigingen voor het Michaëlsfeest. Op de vraag of de dichter zijn pseudoniem heeft gekozen omdat hij zich als bestrijder van Lucifer ziet, antwoordt hij: ‘Dat zou lastig zijn, Lucifer is immers onder andere beschermer van de dichters.’ De vraag brengt ons echter wel meteen bij de manier waarop hij zichzelf ziet. We krijgen het beeld van iemand die moeiteloos kan wisselen tussen de verschillende manieren van kijken. Natuurlijk weet hij vanwege zijn katholieke jeugd het nodige over engelen. ‘Engelen bestonden nog, dertig jaar geleden. Net als James Bond en ridders.’ Hij kan vanuit zijn wetenschappelijke achtergrond zeer sceptisch zijn over dit soort fenomenen. In de gewone wereld gelden immers de wetten van redelijkheid en logica. Met hetzelfde gemak kan hij echter een ander register opentrekken. ‘Als schrijver wordt je namelijk afgerekend op je werk, en daarvoor gelden andere wetten.’ Wat hij in zijn gedichten beweert, hoeft in de ogen van K. Michel niet waar te zijn, als het maar klopt binnen het werk, als het maar werkt. ‘Als schrijver kan ik in boeken dus ook dingen zeggen waar ik helemaal niet achter sta.’ Wanneer het op zijn pad zou komen en het hem zou interesseren, zou hij dan ook zeker over engelen kunnen dichten. Wie is de echte K. Michel? De schrijver zoals we die uit zijn gedichten kennen of de persoon die net de thee heeft opgeschonken en die hier tegenover ons zit? Het daadwerkelijke schrijven van gedichten ervaart K. Michel vaak als ambtelijk gezeur, te vergelijken met gewoon kantoorwerk. Hij schrijft een eerste versie van een gedicht, pakt een nieuw blad en herschrijft het, pakt weer een nieuw blad voor een volgende versie en zo verder. Totdat het vastloopt. Met alleen maar nadenken kan hij er op zo’n moment niet uitkomen. Wat dan helpt is afleiding. ‘Tegen jullie leerlingen zal ik het niet zeggen, maar je kunt goed nadenken als je wordt afgeleid. Niet door het nadenken zelf, maar door de afleiding kom je het probleem tegen dat blijkbaar in je gedicht zit.’ Hij zoekt deze afleiding in het maken van lange wandelingen door Amsterdam. Fietsen zou te snel gaan, door te wandelen doe je genoeg ervaringen op om je te laten afleiden. Thuisgekomen kan hij dan in eerdere versies van zijn gedicht nagaan waar het probleem ontstaan is, en vanaf dat punt een andere weg inslaan. Maar deze methode is niet heilig, het kan evengoed andersom gaan. Zo maakt K. Michel geregeld mee dat hij tijdens het schrijven van een eerste versie denkt dat het in een keer goed is. Later, onder het lopen, gaat hij dan na of dat wat hij heeft geschreven ook inderdaad ergens op slaat. Een gedicht is af als het aan de vele eisen voldoet die hij zichzelf stelt. ‘Ik probeer in gedichten altijd te zorgen voor een stemming en een gedachte met daarbij een ietwat ironische, zijwaartse belichting’. Dat laatste brengt hem op glad ijs. K. Michel probeert ermee te voorkomen dat een gedicht te moeilijk of te ‘gemaakt’ wordt, maar moet er aan de andere kant voor waken dat het ook weer niet te grappig, te cabarettesk wordt. Naast de inhoud, moet ook de vorm van een gedicht precies goed zijn. K. Michel besteedt dan ook minstens zoveel aandacht aan hoe het er staat en hoe het klinkt. ‘Na twintig keer lezen moet een gedicht nog wat zijn. Niet te sonor dus, dan geef je na vijf keer al op: het wordt te kitschy.’ Als voorbeeld van gedichten die te rijk rijm hebben, noemt hij het werk van de tachtigers. Het overkomt hem soms dat er in zijn eigen werk ook een zin opduikt met zeer veel klinkerherhaling. Hij denkt dan ‘jongejonge, wat klinkt het weer lekker, ik lijk verdomme Herman van Veen wel’, en verandert het meteen. Voor een gedicht heeft K. Michel dus aan de ene kant inspiratie, associaties en invallen nodig en aan de andere kant levert hij ambachtelijk werk door op grond van zijn intuïtie en ervaring steeds strenge keuzes te maken. Hij wisselt zodoende steeds van vrije associatie naar strenge vormbewaking. Over dit proces merkt hij op: ‘Je laat jezelf steeds gaan en haalt jezelf dan weer terug. Normaal nadenken is suf. Dit is heel intens’, of zoals hij het in ‘Glas is een trage vloeistof’ (De waterlelies, 1999) schreef: ‘De kunst is om zo snel te vallen Om te vallen en te vliegen moet je jezelf wel de ruimte geven. Veel van de invallen die hij heeft, kunnen eenvoudigweg niet in taal worden uitgedrukt. Wanneer je dat echter vantevoren bedenkt, krijg je de invallen niet. We komen te spreken over de vroege keuze die leerlingen tegenwoordig moeten maken voor hun vakkenpakket. K. Michel vindt dat onzin. ‘Wanneer je helemaal gaat voor je ‘beste keuze’, word je ongelukkig. Je moet geen moeite doen om het onderste uit de kan te halen, je houdt dan te weinig energie over voor andere zaken’. Wanneer je jezelf meer ruimte geeft, geef je het toeval meer kans om je dingen te laten toevallen. Razend kan hij worden van al dat gezeur van ‘jij moet wel de nieuwste dat en dat hebben’. Het zijn hysterische mensen die onbeperkt alles willen. Uiteindelijk leidt deze houding tot grote ontevredenheid. Met afschuw kijkt hij naar de mensen die om die reden ook razend worden op de overheid, die immers niet alles zo voor elkaar kan krijgen zoals zij dat gewenst hadden. Het schrijven van poëzie dwingt de dichter tot nederigheid. De taal begrenst de oneindigheid aan mogelijkheden die je al associërend hebt. ‘In taal zijn grenzen. Je kunt niet zomaar raar Nederlands gaan praten.’ De taal levert dus beperkingen op, bijvoorbeeld of een bepaalde beeldspraak wel of niet werkt. De begrenzingen van de taal ervaar je het sterkst wanneer je gedichten probeert te vertalen. K. Michel heeft daar veel ervaring mee opgedaan tijdens zijn bezoeken aan Poetry International. ‘Als je iets vertaalt uit het Engels, dan merk je dat de patronen en structuren in het Nederlands anders zijn. En dan kan het dus niet.’ Hij vergelijkt de taal met water. Duwen tegen water heeft sowieso geen zin. Daarbij: al het water zit aan al het water vast. Voor K. Michel is taal iets dat mogelijkheden biedt maar evengoed beperkt. Taal heeft dus een eigen wil.
Roelof Jan Veltkamp en Jasper de Roos
|
||||||||||||






