Abdulwahid van Bommel is imam, publicist en geestelijke verzorger voor moslims bij het Medisch Centrum Haaglanden. Voorheen was hij voorganger van de Moslim Informatiecentrum in Den Haag en directeur van de Nederlandse Moslim Omroep.
1. De profeet als pedagoog en bruggenbouwer
Door politieke excessen, zoals de recente cartoonrellen, verschijnt Mohammed ten onrechte als Profeet van geloofsfanatici en extremisten. Wie zijn denkbeelden bestudeert, ontdekt dat Mohammed als toonbeeld van gematigdheid zijn volgelingen de gulden middenweg wijst. Zijn ideeën over opvoeding en onderwijs zijn bovendien verrassend eigentijds. Zo wordt de leerplicht als een islamitisch beginsel beschouwd. "Van de wieg tot het graf" heeft de Profeet Mohammed gezegd. Voor niet-moslims blijft Mohammed een grote onbekende, terwijl veel islamitische opvoeders – ouders, leerkrachten en godsdienstonderwijzers – zich ook in Nederland laten inspireren door het profetisch voorbeeld van Mohammed. Zelfs voor moslims die daar geen bewuste getuigenis van afleggen, fungeert hij door zijn wijze woorden en zijn leven als pedagogisch ‘rolmodel’ . In feite betekende de openbaring van de Koran een alfabetiseringscursus voor Arabieren. De profetische manier en vorm van kennisoverdracht is één van de belangrijkste aanwijzingen voor de taal en de ziel van de Islam. De pedagogische taakomschrijving van de profeet in de Koran luidt als volgt: Hij is
Voor elke student pedagogie van de Islam vormen deze drie Koranpassages de kern van een belangrijk studiegebied. Er zijn veel definities van pedagogie. De principes, methoden en professionaliteit van leren en onderwijzen, is een eenvoudige omschrijving. De profeet werd in feite door Allah swt onderwezen en hij bevestigt dit met de woorden: “Mijn Heer heeft mij onderwezen en Hij is de beste onderwijzer.” Toch bad hij regelmatig “O Heer onderwijs mij!” De wisselwerking tussen kennisleer, ethische concepten, geloof en onderwijs zou je karakteristiek voor de Islam kunnen noemen. Dat is niet zomaar een pretentie. De Koran begon veertien eeuwen geleden als volgt:
Het is opvallend dat de tekst niet aanspoort tot bidden en vasten, maar tot lezen, leren en onderwijs. In feite betekende de openbaring van de Koran een alfabetiseringscursus voor Arabieren. Wanneer we het over de bronnen van de Islamitische leer en opvoedingspraktijk hebben, staan de Ahadith (de literatuur over de profetische traditie) op een goede tweede plaats. Mohammed deed interessante uitspraken over opvoeding en onderwijs en fungeerde zelf vaak als leraar. In zij kindertijd onderscheidde hij een drietal fasen die verrassend veel lijken op de ontwikkelingsfasen die Piaget veertien eeuwen later zou onderscheiden: de eerste zeven levensjaren zijn er om te spelen (la'b); de tweede zeven levensjaren zijn er om op te voeden (ta'dieb); de derde zeven jaar zijn er om te studeren en socialiseren (istishâb). De overgangen tussen de perioden zijn uiteraard niet abrupt, maar geleidelijk. Niet elke pedagogische benadering past bij elke leeftijdsgroep. Jonge kinderen moeten spelend leren. Zij staan open voor de initiatieven van volwassenen, nemen die kritiekloos aan en volgen hun voorbeeld. Oudere kinderen kunnen meer discipline opbrengen. Van hen kan meer worden verwacht – ordelijkheid en gehoorzaamheid – maar zij uiten langzamerhand meer kritiek op handelen en uitspraken van volwassenen. Na een bepaalde leeftijd heeft het dan ook geen zin meer om kinderen te dwingen. Zij gaan zich een eigen mening vormen. Veel ouders van de eerste generatie moslimmigranten hebben misschien laten zien dat hun opvoedkundige kwaliteiten niet optimaal waren en dat zij geen goede relatie met de school onderhielden. De islam adviseert echter kinderen te begeleiden en te stimuleren. Nogmaals: lifelonglearning wordt als een islamitisch beginsel beschouwd. In de komende afleveringen van deze artikelenreeks hoop ik verschillende aspecten van de profetische persoonlijkheid als pedagoog en bruggenbouwer tussen religies en culturen duidelijk te maken.
2. Evenwicht en vergemakkelijking De soenna zou je het navolgenswaardig voorbeeld van de Profeet Mohammed (vzmh) kunnen noemen. De verhalen waaruit we de Profeet kennen leggen een basis voor de do’s and don’ts van de Islam, maar zij geven ook inzicht in zijn methode van kennisoverdracht. De daden en woorden van de Profeet vormden zijn methode. Vanaf het begin van de openbaring is de vertaling van de tekst naar de praktijk echter een probleem geweest. Hoe komt het dat een tekst gaat leven? Wanneer een uitnodiging voor een lezing of bijeenkomst niet werkt, zoeken we naar een oorzaak. Er was een bruiloft, er was voetballen op de televisie, of er was een tegenbeweging die niet wil dat wij bij elkaar komen… Waarom zijn de eerste bedoeďenen gaan doen wat de Profeet deed? Waarom deden ze wat hij zei? Omdat hij het zelf deed. Een vrouw van de Profeet (vzmh) heeft hem die hikma (wijsheid in de werking) van kennisoverdracht gedemonstreerd. Op cruciale momenten in het leven van de Profeet (vzmh), hebben vrouwen hem belangrijke adviezen gegeven. Hij liet hen duidelijk deel uitmaken van zijn leven. Zowel in zijn strijd als tijdens zijn momenten van vrede waren zij aan zijn zijde. Dit wordt ook duidelijk uit de volgende overlevering:
Veel momenten, met onder meer Aisha, Umm Salama en andere vrouwen laten zien dat hij vrouwen tot zijn volwaardige metge¬zellen rekende en hun advie¬zen serieus nam. Twee principes van de ‘Methode Mohammed’ zijn belangrijker dan andere onderdelen: Evenwichtigheid en Vergemakkelijking Indien de geboden, adviezen en aanwijzingen van de Koran en de soenna juist worden geďnterpreteerd, zou er evenwicht moeten zijn
Het principe van evenwichtigheid schrijft een gulden middenweg voor. Dat wil zeggen: Een weg tussen nalatigheid en extremisme. Vooraanstaande metgezellen van de Profeet hadden soms de neiging tot het uiterste te gaan: De één beweerde de rest van zijn leven vastend te willen doorbrengen, een ander zei dat hij alle nachten wilde waken en bidden en de derde zei dat hij geen vrouwen meer zou aanraken. Op deze voornemens reageerde de Profeet nuchter maar beslist:
Over extremisme zei Mohammed:
Een andere overtuigende tekst over evenwichtigheid in de methode luidt:
Die voorkeur voor de gulden middenweg komt ook tot uiting in de volgende Korantekst:
Volledig in overeenstemming met deze grondhouding van de Islam is het algemene principe van chudz al-‘afw: ‘Praktiseer religie met hetgeen moeiteloos uit u voortkomt en maak dingen makkelijk voor uzelf en anderen, en vermijdt het religie onnodig moeilijk te maken’. Ook de volgende verzen:
Deze oproep om op de liefde van Allah te vertrouwen, komt voort uit het godsbeeld dat Mohammed schetst. Hierin verschijnt het ‘Goddelijke genade’-principe als veelomvattender dan het ‘Goddelijke rechts’-principe, zoals tot uiting komt in de bekende overlevering waarin Allah volgens de Profeet over Zichzelf zegt: ‘Waarlijk Mijn genade en barmhartigheid overvleugelen Mijn toorn!’
3. De methode
Het grootste geschenk dat wij van Allah hebben ontvangen is gezond verstand (al ‘aql) Het lijkt wel alsof Descartes eerst de overleveringen van de Profeet Mohammed (vzmh) las voordat hij Discours de la méthode schreef. Over de methode hoe zijn verstand goed te gebruiken en de waarheid te achterhalen in de wetenschappen .
‘Ilm vertalen met het woord 'kennis' betekent dat je eigenlijk geweld doet aan de vele aspecten van het concept ‘ilm in de koran. Het bevat zeker elementen van wat we nu kennis of wetenschap noemen. Tegelijkertijd heeft het componenten van wat we traditioneel gesproken wijsheid noemen.' Het concept ‘ilm is in de koran verbonden met veel andere begrippen:
‘ilm-ibâdah: je dienend opstellen tegenover Allah door kennis te vergaren; 'ilm-chilâfah: je verantwoordelijkheid neemt toe naarmate je kennis toeneemt;
Verder worden in de koran behandeld:
De Profeet (vzmh) gebruikte een aantal methoden om in zijn tijd en omstandigheden kennis over te dragen aan de mensen in zijn omgeving. De meest bekende hiervan zijn:
Tussen haakjes is de Arabische terminologie vermeld, zoals die al eeuwenlang in de bronnen staat. Het bijzonder pedagogische talent van de Profeet (vzmh) blijkt ondermeer uit twee opvallende bijzonderheden. Hoewel 14 eeuwen geleden toegepast, doen ze nogal eigentijds aan. 1) Aandacht voor individuele verschillen bij mensen en Vanwege de lengte van elke aflevering worden hier slechts twee aspecten van de eerste genoemde methode: ‘het vraag en antwoordspel’ behandeld. De profeet kreeg ontelbare keren dezelfde vraag voorgeschoteld en antwoordde steeds verschillend, omdat hij rekening hield met degene die de vraag stelde. ‘Wat is een goede moslim?’ is misschien een van de meest gestelde vragen. Zijn antwoorden hierop luidden:
Niet alleen heeft de Profeet Mohammed (vzmh) zich gedurende de drieëntwintig jaar van zijn profeetschap voortdurend laten bevragen, hij gebruikte ook zelf de vraag als een educatief middel.
4. De profeet als pedagoog over het geloof.
In het vorige hoofdstuk is een begin gemaakt met een aantal methoden van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) om in zijn tijd en omstandigheden kennis over te dragen aan de mensen in zijn omgeving. Hiervan is iets verteld over vraag & antwoord - (Soâ’l wa djawâb). Nu iets over lezingen, verhandelingen en preken (Dars; Wa’z wa Chitabah). Één van de moeilijkste onderwerpen om met woorden over te dragen, is geloof. Veel jonge moslims vragen zich af hoe zij een Nederlandse jongen of meisje op wie zij verliefd zijn tot de Islam kunnen brengen. In het Nederlands wordt gezegd: ‘Geloof kan ik je niet geven’. Ook wordt in de Koran dwang in geloofszaken verworpen. Geloof is iets zo subtiels dat het alleen individueel en innerlijk bij iemand kan gaan leven. Dit wordt in de Koran bevestigd, wanneer tegen de Profeet wordt gezegd: U kunt zeker geen goddelijke leiding geven aan wie u wilt (letterlijk: wie u lief heeft) (28:56) Zowel in de Koran als in de overlevering zien we de menselijke onmacht verwoord om geloof als een soort cadeautje aan een ander over te dragen of op te dringen. De goddelijke werking wordt wel beschreven: Allah heeft in uw hart geloof dierbaar gemaakt.(49:7) Dat het ons als moslims moeite kost om ook maar een vonk over te laten springen van ons geloof, heeft niet alleen met kennis van de Islam maar vooral met onze eigen geloofsbeleving te maken. Het kunnen ‘beleven van God’ op een soort ‘totaal manier’ heeft ondermeer te maken met een groeiproces van iedere moslim in drie stadia: Islâm, imân en ihsân. Dit wordt duidelijk gemaakt in een overlevering van de Profeet Mohammed (vzmh) die bekend staat als het verhaal van ‘De man in het wit’. “Op een dag zaten we bij de Profeet van Allah (vzmh). Opeens verscheen er een man voor ons, in stralend witte kleren en met gitzwart haar. We konden echt niet merken dat hij een lange reis had afgelegd. Toch kende niemand van ons hem. Hij ging voor de Profeet van Allah (vzmh) zitten, met zijn knieën tegen die van de Profeet en met zijn handen op zijn dijbenen en zei: “O, Mohammed, vertel me wat Islâm is!” De Profeet antwoordde: “Islam betekent dat je getuigt dat er geen God is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper van Allah is; dat je het gebed verricht; de zakât betaalt, dat je dus geld geeft aan de armen; vast tijdens de maand Ramadan; en de bedevaart naar Mekka verricht, als je dat kunt.” Hierop zei de man in het wit: “Dat heeft u goed gezegd!” Wij waren erg verbaasd dat hij de Profeet eerst iets had gevraagd en daarna ook nog zei dat hij het goed zei! De Profeet wist toch het beste wat de Islam was? Daarna vroeg de man in het wit: “Wat is Imân (geloof)?” Hij antwoordde: “Dat betekent dat je gelooft in Allah; in zijn engelen; in zijn boeken; in zijn profeten; en in de laatste dag; en dat je gelooft dat het goede, maar ook het slechte door Allah is voorbeschikt.”“Dat heeft u goed gezegd, zei de man in het wit.” En hij vroeg toen:“Vertel mij wat ihsân is.” De Profeet antwoordde: “Dat betekent dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet. Maar je kunt Hem niet zien. Besef dan dat Hij jou wel ziet.”Globaal richt de profetische pedagogiek zich in deze overlevering op drie hoofdthema’s imân, ‘amal, ihsân: 1. Geloof in Allah en Zijn profeten, de engelen, de openbaringen, de laatste dag, het hiernamaals en de goddelijke maat der dingen (imân) 2. Handelen in overeenstemming met dat geloof (‘amal) 3. Verwezenlijking van iemands relatie tot Allah als resultaat van praktijkervaring en persoonlijke geloofsbeleving (ihsân) In het opvoedingsideaal zoals de moslims dat kennen is de profeet Mohammed (vzmh) het meest complete voorbeeld van deze verwezenlijking. Hij is de gerealiseerde meester van het eerder genoemde evenwicht tussen lichaam en geest, het materiële en het spirituele. De manier waarop hij heeft geleefd dient als voorbeeld voor zijn volgelingen (soenna). De Islam leert ons dat het hele leven in essentie een eenheid vormt van geloof, handelen en verwezenlijking. In de Islam vinden we niet de opvatting dat cognitieve feitenoverdracht voldoende is om een kind of volwassene met godsdienstbeleving vertrouwd te maken. Zoals het leren van de vijf belangrijkste praktijkpunten van de islam – bidden, vasten, armengeld, bedevaart en het geloofsgetuigenis - en de kennis die daaruit voortkomt, voor ons essentieel is, is het noodzakelijk kennis van ichlâs (oprechtheid) te verkrijgen. Want de betrouwbaarheid van onze activiteiten hangt daarmee samen. Op dezelfde manier is het net zo noodzakelijk te weten wat ‘halal en haram’ (toegestaan of verboden) is, als om te weten wat hypocrisie inhoudt. Want je handelingen hebben zonder eerlijkheid en oprechtheid geen resultaat. Daarom is kennis van het tegenovergestelde, afgunst en zelfingenomenheid, noodzakelijk. Want die eigenschappen verteren onze handelingen zoals vuur hout verteert. Zo is het onze verantwoordelijkheid kennis te hebben van transacties (koop en verkoop), wanneer we met die zaken in aanraking komen. Ook dienen we ons te verdiepen in de betekenis van huwelijk en echtscheiding volgens de Islam, voordat we daadwerkelijk trouwen. Maar belangrijker is het in dat verband te weten wat ‘liefde voor een ander’, dus empathie inhoudt. Net zoals we haat nu eenmaal leren kennen en de lelijke woorden die daarbij horen, zodat we die in onszelf en anderen kunnen bestrijden. In het verhaal van ‘de man in het wit’ komt duidelijk een groei naar besef en bewustwording van je eigen verhouding met Allah tot uitdrukking. In allerlei voorbeelden in de Koran en de overlevering wordt een levensreis naar verlichting geschetst. De algemene opvatting hierover is dat in die groei eigenlijk het menselijk geluk ligt. De Koran en de overlevering spreken vooral in die zin over menselijk geluk. De term sa’iedoen (gelukkig) wordt gebruikt voor het eindstadium: De dag waar het op aankomt, dan zal geen ziel zonder Zijn toestemming spreken; dan zullen sommigen van hen ongelukkig en anderen gelukkig zijn (11:105) Aanwijzingen voor onze geestelijke, intellectuele en morele groei richting dat moment, worden door de Koran aangereikt. Bijvoorbeeld het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het opnemen van de vreemdeling, het kleden van de naakten, het bezoeken van de zieken en de gevangenen, en andere werken van barmhartigheid. Net als in het Boeddhisme, beschrijven de moslimgeleerden een weg waarop de mens het lijden zou kunnen overwinnen. In de Alchemie van het geluk, beschrijft Abu Hamid al-Ghazali de genezing van zijn eigen ziel. Hij vond zijn evenwicht niet terug door middel van verstandelijke bewijsvoering en redeneren, maar door een licht dat Allah in zijn innerlijk ontstak. Te denken dat de onthulling van dat licht afhankelijk is van bewijs en rede, verengt volgens Al-Ghazali Allah’s grenzeloze barmhartigheid. Want aan Mohammed werd gevraagd wat het volgende Koranvers betekent: Wie Allah ook wil leiden, diens hart verruimt Hij voor de islam... (6:125)
Hij antwoordde: “Dat is een licht dat Allah ontsteekt in het hart en waarmee Hij het innerlijk verruimt.” Men vroeg toen: “Wat is daarvan het kenmerk?” En hij antwoordde: “Dat men zich afkeert van (de plaats van) zelfbedrog en inkeert tot het verblijf van eeuwig geluk.”
5. Rekening houden met het bevattingsvermogen van de leerling, dat wil zeggen aandacht voor individuele verschillen. Zowel de profeet Mohammed (vzmh) als zijn metgezellen hanteerden het principe van spreken en onderwijzen naar het begripsvermogen van de leerlingen of toehoorders. In het Arabisch: ‘Alâ qadri oqoeliha – naar hun verstandelijke vermogens. De profeet heeft aangegeven dat het belangrijk is te weten tegen wie je praat. Leeftijd, achtergrond, karakter, intelligentie spelen daarbij allemaal een belangrijke rol. "Behandel een ieder naar zijn niveau”, en: “geef uw bedienden opdrachten die zij in staat zijn te begrijpen”, zijn voorbeelden van rekening houden met tegen wie je het hebt. De profeet heeft een vers van soera TâHâ als methode van ta’dieb toegelicht:
Volgens zijn uitleg bereik je meer met honing dan met azijn. Toen een prediker eens wilde laten zien dat hij niet bang was voor het gezag van Kalief Ma’moen, ging hij steeds hardere dingen tegen hem zeggen. Op een bepaald moment kreeg de kalief hier genoeg van en zei:
De profeet was gewoon te zeggen: “de beste van u zijn degenen met het beste karakter”. Er kwam een man bij de profeet en hij vroeg: “O boodschapper van Allah! Wie heeft het meeste recht op mijn plezierige gezelschap?” De vanzelfsprekende moederliefde wordt in een andere uitspraak van de profeet gelijk gesteld aan de genade van Allah: “De rahima (baarmoeder) is van de Rahmân (de Barmhartige) afgeleid. Daarom heeft Allah – tegen de rahima - gezegd: ‘Hij die zijn banden versterkt met u, versterkt daarmee zijn banden met Mij! Maar hij die zijn banden met u losser maakt, verzwakt daarmee zijn banden met Mij!’” Er kwam een woestijnarabier bij de profeet en zei: U kust kinderen (eigenlijk: sibyân = zuigelingen!), maar wij doen zoiets niet. De profeet antwoordde: “Wat kan ik eraan doen wanneer Allah het mededogen uit uw hart heeft verwijderd?” De profeet nam eens een baby in zijn armen, waarbij hij het verhemelte van de baby met gekauwde dadel inwreef (hanaka = een gebruik dat daarna tot de profetische gebruiken (soenna) is gaan behoren) en de baby plaste op zijn kleding en hij liet water komen en spoelde het daarmee af. Aswad zei, ik vroeg aan Aysjah wat de profeet deed als hij thuis was. Ze zei: “Hij hielp zijn vrouw.“ Dat wil zeggen, hij deed werk voor zijn vrouw. Anas ibn Mâlik was op zijn tiende aan de profeet ‘gegeven’ om van hem te leren en hem te dienen. Hij zei: Ik diende de profeet tien jaar lang en hij zei nooit zelfs maar iets als ‘foei’ tegen mij. Zelfs niet: waarom heb je dit gedaan of waarom heb je dat niet gedaan? In de overgang van zeven jaar naar ouder, wordt het steeds noodzakelijker kinderen te corrigeren. Het is de vraag met welke methode van correctie de ouders of leerkrachten het meeste succes boeken. Men heeft het wel over de pedagogische tik die soms wonderen verricht, maar vooraanstaande geleerden als Imam Sjafi’i, Bayhakî, Ibn Miskawayh en Ibn Chaldoen, hebben zich met zoveel woorden op religieuze en sociale gronden tegen lijfstraffen voor kinderen uitgelaten. In de Koran, noch in de soenna komt ook maar een enkele aanwijzing voor om lijfstraffen voor kinderen te rechtvaardigen. Wanneer we alle overleveringen waarin de verhouding van de profeet tot kinderen wordt behandeld doornemen komen we de volgende centrale stelregel tegen:
Tofail ibn ‘Amr al-Dausî kwam met zijn metgezellen bij de profeet en zei: “O boodschapper van Allah! De Daus (zijn stamgenoten) hebben (de islam) geweigerd en zijn ongehoorzaam, bid tot Allah, opdat Zijn straf over hen kome! En er werd al gezegd: de Daus hebben zichzelf ten gronde gericht!” Maar de profeet zei:
De boodschapper van Allah zei: “Allah schenkt geen genade aan degene die geen mededogen heeft voor mensen”. En hij zei: “Degene die geen mededogen heeft voor onze kleinen (de kinderen) en geen respect heeft voor onze groten (de volwassenen) is er niet een van ons!” Anas heeft gezegd dat de profeet nooit schold, vloekte of obscene taal gebruikte. Wanneer hij iemand van ons wilde terechtwijzen zei hij: wat is er met hem aan de hand, moge zijn voorhoofd uitbundig met aarde in aanraking komen. (De profeet gebruikt hier een metafoor en bedoelt: Laat hem veel het gebed verrichten, dan verandert hij wel). Ook bij het beantwoorden van de vraag van een Bedoeďen gebruikte de profeet een voorbeeld dat deze kon begrijpen. De bedoeďen vertelde de profeet dat zijn vrouw een zwarte baby ter wereld had gebracht terwijl hij noch zijn vrouw zwart waren. Hij wilde het kind verstoten. De profeet vroeg hem: “Heb je kamelen?”
Abdulwahid van Bommel is imam, publicist en geestelijke verzorger voor moslims bij het Medisch Centrum Haaglanden. Voorheen was hij voorganger van de Moslim Informatiecentrum in Den Haag en directeur van de Nederlandse Moslim Omroep. Bron: Wijblijvenhier.nl
|
||||||||||||






