Het Nederlands heeft het woord abituriënt overgenomen uit het Duits (Abiturient). Het is gevormd van het modern-Latijnse abituriens, het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord abiturire, dat 'wensen weg te gaan' betekent. Dit komt weer van het zelfstandig naamwoord abitus ('het weggaan'), waarin de woorddelen ab ('weg') en ire ('gaan') te herkennen zijn; het invoegsel -ur- in abiturire geeft het 'verlangen te' weer.
|
||||||||||||







