In deze lente bleven de sneeuwklokjes lang bloeien, en ook de wilde crocussen in onze duinen. Door de kou vordert de lente langzaam. Speenkruid en longkruid zijn gaan bloeien, naast allerlei soorten wilde hyacinthen. Het fluitekruid verherft zich al, maar bloeit nog niet. Hieronder nog tal van andere bloeiende planten die we de komende tijd kunnen gaan verwachten... *Fluitekruid, ofwel 'Hollands kant', bloeide al in de winter. Nu is het overal te zien, naast de smeerwortel, een ruwbladige met blauwpaarse, geelwitte of roodachtige bloemen in opgerolde trossen, die door plantenkenners schichten worden genoemd. Naarmate de bloei voortschrijdt, strekt de schicht zich en komen de bloemen vrij voor insectenbezoek.
smeerwortel
De bezoekers zijn vooral hommels. Die houden van hangende bloemen. Als ze een te korte tong hebben om bij de nectar te kunnen komen, breken ze in door met hun kaken een gaatje te bijten in de voet van de bekervormige kroon, waar de nectar zich bevindt. Tal van andere korttongige insecten maken gebruik van die braakgaatjes. Ik zag weekschildkevers of soldaatjes en boomblauwtjes zo nectar zuigen. Meestal zijn beide planten gemakkelijk te vinden. Vooral in wegbermen groeien smeerwortel en fluitekruid vaak vlak bij elkaar. *De sneeuwklokjes en de oosterse sterhyacintjes hebben nu rijpe zaaddozen. Op veel plaatsen zaaien ze zich massaal uit.
Oosterse sterhyacint met zaad
*In wegbermen opent voor het middaguur de gele morgenster zijn bloemhoofdjes tussen de hoge grassen. Die paardebloemachtige hoofdjes sluiten zich als de zon over zijn hoogtepunt heen is om zich de volgende morgen al weer vroeg te openen.
*steeds meer fluitekruidplanten komen in bloei. De varens ontrollen hun veerachtige blad. In de duinen bloeien de duindoorns met stuifmeel en stamperbloemen op verschillende struiken. Op de volop bloeiende hondsdraf komen goudkleurig behaarde metselbijen af, die nestjes metselen in muurholten.
De metselbij Bijen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in het landschap en een goede graadmeter voor natuurwaarden. Het blijkt dat vele tientallen bijensoorten, die na 1950 vrijwel geheel uit het binnenland verdwenen zijn, nog wel in de duinen worden gevonden. Deze soorten zijn behalve klein ook vaak schuw, onopvallend gekleurd en snel. Ze zijn individueel verantwoordelijk voor het succesvol voortbrengen van het nageslacht: elk vrouwtje legt haar eigen nestruimten aan, bevoorraadt die met bolletjes zelf verzameld stuifmeel en voorziet elk bolletje van een ei. Een aantal ondersoorten sluit het nest af met fijngekauwd plantaardig materiaal dat vermengd met speeksel een harde prop vormt. Dit leverde de soorten hen de naam metselbijen op. Enkele metselbijtjes bedienen zich in de duinen van slakkenhuisjes om te nestelen, waarschijnlijk bij gebrek aan dood hout, en hebben derhalve de Nederlandse naam slakkenhuisbij gekregen. *Het meest bijzonder zijn de stinseplanten die bij ons gewoon in het wild staan: witte bosanemonen, geel speenkruid en paarse helmbloem. Al bijna uitgebloeid zijn de wilde narcissen, blauwe scilla's en boshyacinthen. Je vindt ze hieronder, gemengd met allerlei bloemen die nu bloeien, of uitgebloeid zijn, zoals de paarse dovenetel en hondsdraf en ook de sleutelbloem hieronder. Sleutelbloem
Gulden sleutelbloem
Je kan erover discussieren of de Gulden sleutelbloem (Primula veris) als een echte stinzenplant aangemerkt moet worden, of dat het gewoon een inheemse, maar zeldzaam geworden plant is, die later weer op verschillende plaatsen (ook buiten zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied) is aangeplant. In Nederland komt hij nog voor in het midden en zuiden van het land. Hier en daar in de duinen zouden zich ook nog oorspronkelijk wilde populaties kunnen bevinden.
Slanke sleutelbloem
Echte sleutelbloem (Primula Odorata)
Zie ook de andere planten, insecten en paddestoelen uit de Leidse heemtuin In oude loofbossen inbedekt het muskuskruid de bodem met een kleed van fijn gedeeld blad en lichtgroene kubusvormige bloemtrosjes.
muskuskruid
Maarts viooltje
Welke kleur heeft het Maarts viooltje (Viola odorata)? Violet natuurlijk! Per definitie trouwens, want de kleuraanduiding 'violet' is ooit afgeleid van het Maarts viooltje. De paarsblauwe kleur van de bloem is onmiskenbaar. Net zo opvallend is de zoete geur die heeft geleid tot het gebruik ervan in de parfumindustrie.
Duinviooltjes
Meer info
Bosviooltje
Helmkruid
Voorjaarshelmkruid
Voorjaarshelmboem
De kleine veldkers is een mini-uitgave van de pinksterbloem met witte priegelbloemen, vooral groeiend op vaak geschoffelde grond, net als de nog steeds volop bloeiende vroegeling en vogelmuur.
kleine veldkers
Voorjaarszonnebloem
De voorjaarszonnebloem is net als het groot hoefblad een composiet, zij het in dit geval met geheel gele hoofdjes, zoals zoveel composieten. Denk maar aan de paardebloem.
Stinzenplanten (in de dikke Van Dale: stinsenplanten) groeien voornamelijk op kleigrond verrijkt met de organische stof die uit vijvers en grachten wordt gebaggerd. Stinzenplanten (stins = steenhuis) is een verzamelnaam voor planten die van elders (Z Europa, maar ook gebieden in Duitsland en Nederland) zijn ingevoerd vanaf de middeleeuwen tot het midden van de vorige eeuw. De bekendste stinzenplant is wel het sneeuwklokje, zowel de enkele als de dubbele vorm. De planten wisten zich zo goed te handhaven en soms ook uit te breiden, dat ze nu tot de Nederlandse flora worden gerekend. Kwamen planten van nature voor in Z.Limburg en zijn later aangeplant bij een Groninger borg dan is deze inheemse plant hier een 'regionale stinzenplant'. Een voorbeeld hiervan is de daslook. Tot de stinzenplanten worden niet alleen bolgewassen gerekend, maar ook sommige heesters en vaste planten; evenals sommige "onkruiden": zevenblad en fluitekruid. De naam stinzenplant werd voor het eerst gebezigd door de botanicus Dr. J.Botke (1923), die opmerkte dat planten uit deze groep veel voorkomen bij oude boerderijen, kerkhoven, buitenplaatsen, steenhuizen of zoals deze gebouwen in het noorden worden genoemd: borgen (Groningen), havezaten (Drenthe en Overijssel) en stinzen (Friesland).
Speenkruid
Sterhyacinth
Kleine boshyacinth
Wilde hyacinth Zie meer vroege voorjaarsbloemen (ook Engelse namen)
De veel (door)gekweekte, wat lompe "tuin- en pot-hyacint" met zijn dikke kegel vol met roze, blauwe of witte, sterk ruikende bloemetjes is een bekend gezicht in de conservatieve tuintjes van veel mensen. Wat veel mensen niet weten, is dat in ons land tegenwoordig op veel plekken ook de Wilde hyacint (Scilla non-scripta) voorkomt. Die Wilde hyacint is nauw verwant aan de "doorgekweekte", maar wat bescheidener van uiterlijk en daarom wellicht nog mooier. De (meestal) violet-blauwe, klokvormige bloempjes staan verder uit elkaar en hangen omlaag, wat het geheel een fragieler aanzien geeft. De plant komt in Europa voor in twee ondersoorten: een zuidelijke (subsp. hispanica) en een noordelijke (subsp. non-scripta). De noordelijke komt oorspronkelijk voor in West-Frankrijk, België en massaal op de Britse eilanden waar hij Bluebell wordt genoemd. De blauwe waas van bloemetjes in de Engelse bossen heeft vermoedelijk rond 1700 enkele ondernemende lieden aangezet tot aanplant en verspreiding van de Wilde hyacint in ons land, waar hij locaal aardig kon verwilderen. Uit de zuidelijke delen van Europa is echter de andere ondersoort ook ingevoerd in Nederland. Dat heeft tot gevolg gehad dat de beide ondersoorten konden bastaarderen (mengen) zodat op de meeste plaatsen in ons land geen "zuivere" noordelijke ondersoort kan worden gevonden. Niet te verwarren met de holwortel:
Bosanemoon
Van oorsprong komt De Bosanemoon, in het wild, in Nederland veel voor in het oosten, midden en zuiden van het land, als wel in de Hollandse binnenduinrand. Elders in het kustgebied, dus ook in onze regio, komt deze plant bij gebrek aan natuurlijk bos eigenlijk alleen voor als stinzenplant. Zij is bij uitstek de loofbosplant van gerijpte, rijkere bodemtypen. Het is zo'n plant die, net als het Speenkruid (Ranunculus ficaria) bij uitstek weet te profiteren van de verhoogde lichtinval in het (relatief) nog kale bos in het voorjaar. De naam 'Anemone' komt van het Griekse 'anemoone', dat ontstaan is uit 'anemos': wind. Deze naamgeving zou zijn oorsprong hebben in het feit dat de bloemen bij het minste zuchtje wind bewegen. Hierop zou dan ook de oude Latijnse benaming, 'Flos venti' ofwel 'Windbloem' duiden. Ook in ons land zijn namen als Windbloem, Windkruid en Windroos in sommige regio's van oudsher ingeburgerd. De naam 'Achterumkiekertjes' (Zutphen e.o.) slaat ook op het heen-en-weer bewegen van de bloemen in de wind. Een ander opvallend verschijnsel dat hiermee te maken zou kunnen hebben, is de eigenschap van de bloemen om met de zon mee te draaien. 's Avonds, maar ook als de temperatuur onder de 10 graden celsius daalt, sluit de Bosanemoon zijn bloempjes.
Gewone paardebloem
Dotter
Hondsdraf
Longkruid In de middeleeuwen ging men bij de vaststelling van een mogelijke geneeskrachtige werking van een plant soms uit van een dubieuze theorie, ook wel "signatuurleer" genoemd. Er werd gedacht dat planten (of delen ervan) die uiterlijke kenmerken leken te hebben van menselijke kwalen of ook wel organen, wel een gunstig effect zouden hebben op zo'n kwaal of orgaan. Paarse dovenetel
Witte dovenetel
Gele dovenetel
Fluitekruid
Meer foto's in hetzelfde bos Look zonder look
Koolzaad In korte tijd verheffen zich enorme planten, hier als overgang naar 'bloemen in onze duinen in mei', zie volgende.
|
||||||||||||










gele morgenster 
.jpg)
.jpg)




























Deze broze plant met zijn vierzijdige, holle stengels en zijn brede, getande bladen doet denken aan de brandnetel. Hij groeit in het bos, in hagen en in tuinen. De roomwitte bloempjes ruiken naar honing. Ze staan in kransjes in de oksels van de ruwe, tegenoverstaande bladen. Ze produceren grote hoeveelheden nectar waar alleen hommels bij kunnen met hun lange tongen. In tegenstelling tot de brandnetel heeft de dovenetel geen prikkende haartjes op zijn bladeren. De plant kan 20 tot 50 cm hoog worden en bloeit van april tot september. In de volksgeneeskunde werd de dovenetel gebruikt voor de behandeling van uiteenlopende kwalen, zoals een zere keel, open wonden en interne ziekten. (Lamium album )




