biologie / een langzaam voorjaar na een koude winter...
 
biologie | een langzaam voorjaar na een koude winter...
een langzaam voorjaar na een koude winter...Gemaakt op: 7-4-2005 om 11:20
Laatst gewijzigd op: 19-4-2010 om 7:46

In deze lente bleven de sneeuwklokjes lang bloeien, en ook de wilde crocussen in onze duinen. Door de kou vordert de lente langzaam. Speenkruid en longkruid zijn gaan bloeien, naast allerlei soorten wilde hyacinthen. Het fluitekruid verherft zich al, maar bloeit nog niet. 

Hieronder nog tal van andere bloeiende planten die we de komende tijd kunnen gaan verwachten...

*Fluitekruid, ofwel 'Hollands kant',  bloeide al in de winter. Nu is het overal te zien, naast de smeerwortel, een ruwbladige met blauwpaarse, geelwitte of roodachtige bloemen in opgerolde trossen, die door plantenkenners schichten worden genoemd. Naarmate de bloei voortschrijdt, strekt de schicht zich en komen de bloemen vrij voor insectenbezoek.

 

 

 

 

smeerwortel

 

De bezoekers zijn vooral hommels. Die houden van hangende bloemen. Als ze een te korte tong hebben om bij de nectar te kunnen komen, breken ze in door met hun kaken een gaatje te bijten in de voet van de bekervormige kroon, waar de nectar zich bevindt. Tal van andere korttongige insecten maken gebruik van die braakgaatjes. Ik zag weekschildkevers of soldaatjes en boomblauwtjes zo nectar zuigen.

Meestal zijn beide planten gemakkelijk te vinden. Vooral in wegbermen groeien smeerwortel en fluitekruid vaak vlak bij elkaar.

*De sneeuwklokjes en de oosterse sterhyacintjes hebben nu rijpe zaaddozen. Op veel plaatsen zaaien ze zich massaal uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oosterse sterhyacint met zaad

 

*In wegbermen opent voor het middaguur de gele morgenster zijn bloemhoofdjes tussen de hoge grassen. Die paardebloemachtige hoofdjes sluiten zich als de zon over zijn hoogtepunt heen is om zich de volgende morgen al weer vroeg te openen.

   gele morgenster

 

*steeds meer fluitekruidplanten komen in bloei. De varens ontrollen hun veerachtige blad. In de duinen bloeien de duindoorns met stuifmeel en stamperbloemen op verschillende struiken. Op de volop bloeiende hondsdraf komen goudkleurig behaarde metselbijen af, die nestjes metselen in muurholten.

De metselbij

Bijen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in het landschap en een goede graadmeter voor natuurwaarden. Het blijkt dat vele tientallen  bijensoorten, die na 1950 vrijwel geheel uit het binnenland verdwenen zijn, nog wel in de duinen worden gevonden. Deze soorten zijn behalve klein ook vaak schuw, onopvallend gekleurd en snel. Ze zijn individueel verantwoordelijk voor het succesvol voortbrengen van het nageslacht: elk vrouwtje legt haar eigen nestruimten aan, bevoorraadt die met bolletjes zelf verzameld stuifmeel en voorziet elk bolletje van een ei. Een aantal ondersoorten sluit het nest af met fijngekauwd plantaardig materiaal dat vermengd met speeksel een harde prop vormt. Dit leverde de soorten hen de naam metselbijen op. Enkele metselbijtjes bedienen zich in de duinen van slakkenhuisjes om te nestelen, waarschijnlijk bij gebrek aan dood hout, en hebben derhalve de Nederlandse naam slakkenhuisbij gekregen.

*Het meest bijzonder zijn de stinseplanten die bij ons gewoon in het wild staan: witte bosanemonen, geel speenkruid en paarse helmbloem. Al bijna uitgebloeid zijn de wilde narcissen, blauwe scilla's en boshyacinthen. Je vindt ze hieronder, gemengd met allerlei bloemen die nu bloeien, of uitgebloeid zijn, zoals de paarse dovenetel en hondsdraf en ook de sleutelbloem hieronder.

Sleutelbloem

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gulden sleutelbloem

 

Je kan erover discussieren of de Gulden sleutelbloem (Primula veris) als een echte stinzenplant aangemerkt moet worden, of dat het gewoon een inheemse, maar zeldzaam geworden plant is, die later weer op verschillende plaatsen (ook buiten zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied) is aangeplant. In Nederland komt hij nog voor in het midden en zuiden van het land. Hier en daar in de duinen zouden zich ook nog oorspronkelijk wilde populaties kunnen bevinden.
De Gulden sleutelbloem is vooral een plant van grasland op matig droge (zeer licht vochtige) grond die niet sterk uitdroogt en humusrijk en kalkrijk is. Te sterke beweiding verdraagt de plant slecht, en overbemesting geeft meestal de doodsteek. Behalve in zonnig grasland, staat de Gulden sleutelbloem ook op kapvlaktes en lichte plekken in loofbossen en struweel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Slanke sleutelbloem

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Echte sleutelbloem

(Primula Odorata)

 

Zie ook de andere planten, insecten en paddestoelen uit de Leidse heemtuin

In oude loofbossen inbedekt het muskuskruid de bodem met een kleed van fijn gedeeld blad en lichtgroene kubusvormige bloemtrosjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

muskuskruid

 

 

Maarts viooltje


Welke kleur heeft het Maarts viooltje (Viola odorata)? Violet natuurlijk! Per definitie trouwens, want de kleuraanduiding 'violet' is ooit afgeleid van het Maarts viooltje. De paarsblauwe kleur van de bloem is onmiskenbaar. Net zo opvallend is de zoete geur die heeft geleid tot het gebruik ervan in de parfumindustrie.
Overigens is niet de hele bloem diep violet gekleurd. De uiterste basis van de kroonbladen (het 'hart') is wit, met in het centrum de oranje meeldraden (helmknoppen). Ook is een streperig honingmerk zichtbaar, dat hommels en bijen naar het hart (stempel en meeldraden) van de bloem moet leiden. Voor deze insekten straalt het honingmerk in het ultraviolette spectrum dat wij mensen niet kunnen zien.
Overigens is de bouw van viooltjesbloemen op zich al een uitgebreid onderzoek waard. Ze steken heel vernuftig in elkaar, waarbij de efficientie van de bestuiving voorop staat. Voor de bouw en de werking van de bloem verwijs ik graag naar de Nederlandse Ecologische Flora (deel 2).
Het Maarts viooltje is, zoals de naam al impliceert, het eerst bloeiende viooltje in het voorjaar. Het werd al van oudsher door de mens beschouwd als goden- en dodenbloem. Het is daardoor ook een van de oudste siergewassen. Verder was ze in gebruik als geneeskrachtig kruid en sinds enkele eeuwen dus ook als bestanddeel van exquise (vrouwelijke) parfums.
Verondersteld wordt dat het Maarts viooltje ooit door de Romeinen vanuit het Middellandse-Zeegebied noord- en westwaarts is verspreid, zodat het nu o.a. in het grootste deel van Europa voorkomt. Het is een halfschaduwplant die houdt van voedselrijke, humeuze, losse, vochtige en kalkrijke grond die sterk doet denken aan het 'Kleebwald'-milieu. In Nederland komt Maarts viooltje van nature voor in Zuid-Limburg, de dalen van de grote rivieren en in Zeeland, meestal op beschutte of half-beschutte plaatsen in bos- en struweelranden. In de rest van Nederland komt het voor in allerlei stinzenmilieus waar het zichzelf redelijk in stand houdt. Verder wordt Maarts viooltje veel aangeplant in tuinen, parken, begraafplaatsen en plantsoenen.

Meer info

 

Duinviooltjes

 

 

 

 

 

 

 

Meer info

 

 

Bosviooltje


Andere voorjaarsbloemen in het bos

Helmkruid

 

Voorjaarshelmkruid



Voorjaarshelmboem


Meer info

De kleine veldkers is een mini-uitgave van de pinksterbloem met witte priegelbloemen, vooral groeiend op vaak geschoffelde grond, net als de nog steeds volop bloeiende vroegeling en vogelmuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kleine veldkers

 

Voorjaarszonnebloem

De voorjaarszonnebloem is net als het groot hoefblad een composiet, zij het in dit geval met geheel gele hoofdjes, zoals zoveel composieten. Denk maar aan de paardebloem.
De voorjaarszonnebloem komt van nature voor in de Midden-Europese bergbossen, maar is een bekende stinzenplant, een al eeuwen geleden om zijn schoonheid overgeplante tuinplant, die later verwilderde en zich een plaats veroverde in de inheemse flora. Een stinzenplant kan zich zonder hulp van de mens handhaven in de vrije natuur, maar is toch het meest te vinden op landgoederen en in oude parkbossen en pastorietuinen. Het schijnt dat de voorjaarszonnebloem in de Middeleeuwen in kloostertuinen werd gekweekt voor medicinale doeleinden. Maar ik kan me voorstellen dat menige kloosterling een knieval deed voor de schoonheid van de plant.


Vroeger werden de twee soorten voorjaarszonnebloem niet apart onderscheiden. Nu bestaan bastaardzonnebloem en hartbladzonnebloem. Kenmerkend voor de eerstgenoemde soort is dat de bloemen apart op de bloemstengel staan. De hartbladzonnebloem bloeit later dan de bastaardzonnebloem en heeft meestal twee tot vijf hoofdjes aan een stengel. De wortelstandige bladeren van de hartbladzonnebloem hebben een duidelijk hartvormige voet en er zijn nog meer verschillen die het onderscheid rechtvaardigen. De bastaardzonnebloem is minder zeldzaam dan de hartbladzonnebloem en tamelijk talrijk op oude landgoederen aan de binnenduinrand en in de Vechtstreek. (Bron: Trouw)

Stinzenplanten (in de dikke Van Dale: stinsenplanten) groeien voornamelijk op kleigrond verrijkt met de organische stof die uit vijvers en grachten wordt gebaggerd. Stinzenplanten (stins = steenhuis) is een verzamelnaam voor planten die van elders (Z Europa, maar ook gebieden in Duitsland en Nederland) zijn ingevoerd vanaf de middeleeuwen tot het midden van de vorige eeuw. De bekendste stinzenplant is wel het sneeuwklokje, zowel de enkele als de dubbele vorm. De planten wisten zich zo goed te handhaven en soms ook uit te breiden, dat ze nu tot de Nederlandse flora worden gerekend. Kwamen planten van nature voor in Z.Limburg en zijn later aangeplant bij een Groninger borg dan is deze inheemse plant hier een 'regionale stinzenplant'. Een voorbeeld hiervan is de daslook. Tot de stinzenplanten worden niet alleen bolgewassen gerekend, maar ook sommige heesters en vaste planten; evenals sommige "onkruiden": zevenblad en fluitekruid. De naam stinzenplant werd voor het eerst gebezigd door de botanicus Dr. J.Botke (1923), die opmerkte dat planten uit deze groep veel voorkomen bij oude boerderijen, kerkhoven, buitenplaatsen, steenhuizen of zoals deze gebouwen in het noorden worden genoemd: borgen (Groningen), havezaten (Drenthe en Overijssel) en stinzen (Friesland).

Bron en meer info

 

Speenkruid


 


Meer info

Sterhyacinth


 

Kleine boshyacinth


 

Wilde hyacinth Zie meer vroege voorjaarsbloemen (ook Engelse namen)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De veel (door)gekweekte, wat lompe "tuin- en pot-hyacint" met zijn dikke kegel vol met roze, blauwe of witte, sterk ruikende bloemetjes is een bekend gezicht in de conservatieve tuintjes van veel mensen. Wat veel mensen niet weten, is dat in ons land tegenwoordig op veel plekken ook de Wilde hyacint (Scilla non-scripta) voorkomt. Die Wilde hyacint is nauw verwant aan de "doorgekweekte", maar wat bescheidener van uiterlijk en daarom wellicht nog mooier. De (meestal) violet-blauwe, klokvormige bloempjes staan verder uit elkaar en hangen omlaag, wat het geheel een fragieler aanzien geeft. De plant komt in Europa voor in twee ondersoorten: een zuidelijke (subsp. hispanica) en een noordelijke (subsp. non-scripta). De noordelijke komt oorspronkelijk voor in West-Frankrijk, België en massaal op de Britse eilanden waar hij Bluebell wordt genoemd. De blauwe waas van bloemetjes in de Engelse bossen heeft vermoedelijk rond 1700 enkele ondernemende lieden aangezet tot aanplant en verspreiding van de Wilde hyacint in ons land, waar hij locaal aardig kon verwilderen. Uit de zuidelijke delen van Europa is echter de andere ondersoort ook ingevoerd in Nederland. Dat heeft tot gevolg gehad dat de beide ondersoorten konden bastaarderen (mengen) zodat op de meeste plaatsen in ons land geen "zuivere" noordelijke ondersoort kan worden gevonden.
De echte noordelijke ondersoort (non-scripta) is te herkennen aan enkele kenmerken: de wat omgebogen top van de as van de bloemtros en daarnaast de roomwitte helmknoppen in de bloemen. Bij de zuidelijke ondersoort "hispanica" staat de top vrijwel rechtop en zijn de helmknoppen bleek-blauw. Overigens betekent deze combinatie van kenmerken niet meteen dat de plant ook genetisch helemaal zuiver is. Maar je kunt je net zo goed afvragen of een volledig zuivere ondersoort wel ergens in Europa bestaat. Als deze ondersoorten zo eenvoudig met elkaar kruisen is er in genetisch opzicht mogelijk sprake van een glijdende schaal tussen de noordelijke en zuidelijke populaties. Overigens is de bekende tuin- en pot-hyacint een extreem doorgekweekte kruising van o.a. deze twee ondersoorten.
De Wilde hyacint komt bij voorkeur voor in vochthoudende, humeuze, tamelijk voedselrijke, (oppervlakkig) ontkalkte bossen met een goede strooiselvertering. De bloemen, die in de 2e helft van het voorjaar verschijnen, worden gewoonlijk bestoven door hommels en zweefvliegen. Behalve door middel van zaad kan de Wilde hyacint zich ook vegetatief vermeerderen door bijbolletjes.

Niet te verwarren met de holwortel:


Bosanemoon

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van oorsprong komt De Bosanemoon, in het wild, in Nederland veel voor in het oosten, midden en zuiden van het land, als wel in de Hollandse binnenduinrand. Elders in het kustgebied, dus ook in onze regio, komt deze plant bij gebrek aan natuurlijk bos eigenlijk alleen voor als stinzenplant. Zij is bij uitstek de loofbosplant van gerijpte, rijkere bodemtypen. Het is zo'n plant die, net als het Speenkruid (Ranunculus ficaria) bij uitstek weet te profiteren van de verhoogde lichtinval in het (relatief) nog kale bos in het voorjaar.
Dicht onder de oppervlakte van de grond heeft de Bosanemoon een kruipende wortelstok die bij oudere pollen sterk vertakte netwerken kunnen vormen. Op deze wortelstok heeft een parasitische zwam, de Anemonebekerzwam (Sclerotinia tuberosa), zich gespecialiseerd: de zwam infecteert een deel (tot ± een kwart vierkante meter) van de wortelstokken, waarna deze sterk opzwellen en veranderen in zwarte 'sclerotia' (harde, knolvormige lichamen vol met schimmeldraden). De geinfecteerde delen zijn te herkennen als kale plekken in de voorheen gesloten anemonenvegetatie. In het voorjaar vormen de sclerotia vruchtlichamen die te herkennen zijn als napvormige bekertjes op steeltjes.
In de voorzomer sterft de Bosanemoon, na vruchtvorming, bovengronds af. De vruchtjes worden vervolgens verspreid door onder meer mieren, hoewel van echte uitzaaiing meestal weinig is te merken.

De naam 'Anemone' komt van het Griekse 'anemoone', dat ontstaan is uit 'anemos': wind. Deze naamgeving zou zijn oorsprong hebben in het feit dat de bloemen bij het minste zuchtje wind bewegen. Hierop zou dan ook de oude Latijnse benaming, 'Flos venti' ofwel 'Windbloem' duiden. Ook in ons land zijn namen als Windbloem, Windkruid en Windroos in sommige regio's van oudsher ingeburgerd. De naam 'Achterumkiekertjes' (Zutphen e.o.) slaat ook op het heen-en-weer bewegen van de bloemen in de wind. Een ander opvallend verschijnsel dat hiermee te maken zou kunnen hebben, is de eigenschap van de bloemen om met de zon mee te draaien. 's Avonds, maar ook als de temperatuur onder de 10 graden celsius daalt, sluit de Bosanemoon zijn bloempjes.
Bron: Kleijn, H. (1970). Planten en hun naam, een botanisch lexicon voor de lage landen. Meulenhoff Nederland bv, Amsterdam.

 

 

Gewone paardebloem


Meer info

 

Dotter


Meer info

 

Hondsdraf

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Longkruid

In de middeleeuwen ging men bij de vaststelling van een mogelijke geneeskrachtige werking van een plant soms uit van een dubieuze theorie, ook wel "signatuurleer" genoemd. Er werd gedacht dat planten (of delen ervan) die uiterlijke kenmerken leken te hebben van menselijke kwalen of ook wel organen, wel een gunstig effect zouden hebben op zo'n kwaal of orgaan.
Ook bij het Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) dacht men dat de vlekken op het blad overeenkwamen met longblaasjes. Longkruid werd dus geacht werkzaam te zijn tegen aandoeningen van de longen. Tegen de meeste echte longaandoeningen heeft het nooit echt gewerkt, maar toevallig blijkt dit fraaie plantje wel zogenaamde slijmoplossende stoffen te bevatten. Tegen vastzittende hoest, bronchiale ontstekingen en verkoudheid blijkt het wel degelijk goed te werken. Tegenwoordig wordt het daarvoor niet meer gebruikt en wordt het Gevlekt longkruid door mensen alleen nog "maar" gewaardeerd om zijn decoratieve uiterlijk, echter door bijen en hommels ook om zijn vroege verschijning en nectarproductie in het voorjaar.
Voor wie de bloeiwijze bekijkt is te zien dat de kleur van een bloem verandert naarmate hij ouder wordt: de jonge bloem (knop) is donker-roze en wordt vervolgens lila-paars en uiteindelijk (paars)blauw. Langdurige observatie laat zien dat insekten - zoals hommels en vooral de voor het longkruid tamelijk karakteristieke Sachembij - een duidelijke voorkeur hebben voor de paarsblauwe bloemen. Mogelijk is de voor ons paarsblauwe bloem in het ultraviolet nog opvallender en geeft zo voor insekten een signaal af dat er wat - nectar dus - te halen valt. En passant worden de bloemen ook nog bestoven, en daar is het de plant natuurlijk om te doen.
Het Gevlekt longkruid wordt gerekend tot de groep van de ruwbladigen, waartoe o.a. ook de Smeerwortel en het Slangekruid behoren. De bladeren zijn "ruw" door de veelal borstelige beharing waardoor deze planten voor de meeste dieren ongeschikt zijn om te eten.
Gevlekt longkruid komt van oorsprong in Nederland alleen in het wild voor in Zuid-Limburg. In de rest van het land wordt het beschouwd als een stinzenplant. De plant heeft een voorkeur voor lichte, voedselrijke en humusrijke bossen en parken.

Paarse dovenetel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer info

 

Witte dovenetel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze broze plant met zijn vierzijdige, holle stengels en zijn brede, getande bladen doet denken aan de brandnetel. Hij groeit in het bos, in hagen en in tuinen. De roomwitte bloempjes ruiken naar honing. Ze staan in kransjes in de oksels van de ruwe, tegenoverstaande bladen. Ze produceren grote hoeveelheden nectar waar alleen hommels bij kunnen met hun lange tongen. In tegenstelling tot de brandnetel heeft de dovenetel geen prikkende haartjes op zijn bladeren. De plant kan 20 tot 50 cm hoog worden en bloeit van april tot september. In de volksgeneeskunde werd de dovenetel gebruikt voor de behandeling van uiteenlopende kwalen, zoals een zere keel, open wonden en interne ziekten. (Lamium album )

Meer info

 

Gele dovenetel


 

 

Fluitekruid


Meer foto's in hetzelfde bos

Look zonder look


Dit is een veel voorkomende, twee- of meerjarige plant die je in heel Europa kunt aantreffen in hagen, op de boszoom en aan de voet van muren. Vanuit een wortelrozet van ruwe, hartvormige bladeren schiet de stengel omhoog. Als je de bladeren kneust, komt er een knoflookgeur vrij. De plant draagt witte trosjes. De vruchtjes zijn rechtopstaande, kortgesteelde hauwtjes. De plant kan 20 tot 100 cm hoog worden en bloeit van april tot en met juni. Vroeger werd look-zonder-look in de keuken gebruikt om er vlees of vis mee te kruiden. In de volksgeneeskunde behandelde men er wonden en zweren mee. Er werd ook een aftreksel van gemaakt om mee te gorgelen als je een zere keel had. (Alliara officinalis)

 

 




Koolzaad

In korte tijd verheffen zich enorme planten, hier als overgang naar 'bloemen in onze duinen in mei', zie volgende.
 



vorige:
Zoek de nachtegalen in de duinen
volgende
> De Vrije School Den Haag © 2004-2005 > Powered By Dinamite Internet Services