Meestal is de witte abeel in het duin als zandbinder aangeplant, omdat hij uitgebreide wortelopslag maakt, die het stuivende zand vasthoudt. Ook wordt hij in de duinstreek wel als windscherm geplant. Bovendien is hij goed bestand tegen zeewind en droogte.
De abelen bloeien met grijsharige, hangende katjes in maart, ver voordat het blad verschijnt. De mannelijke katjes zijn kort en dik, met roodachtige helmknoppen tussen de wollige katjesschubben. Ze vallen af als ze het gele stuifmeel hebben afgegeven. Vrouwelijke katjes zitten op andere bomen dan meeldraadkatjes, hebben geelgroene stampers en zijn veel slanker dan de meeldraadkatjes, Het stuifmeel wordt door de wind naar de stampers vervoerd.
Ook de grauwe abeel komt in het wild in de kalkrijke duinen en in rivierdalen voor. Deze boom, een waarschijnlijk spontane kruising tussen de esp en de witte abeel, gemakkelijk te herkennen aan de ruitvormige schorsporiën (lenticellen) bij jonge bomen, is forser dan de witte abeel. De ruitvormige schorsporiën zijn ook in de stam van oude grauwe abelen terug te vinden, maar minder duidelijk. Bron voor teksten, voor plaatjes (daar ook veel goede info).
|
||||||||||||









