biologie / Mossen - kijk in de Japanse tuin op Clingendaal of in de duinen!
 
biologie | Mossen - kijk in de Japanse tuin op Clingendaal of in de duinen!
Mossen - kijk in de Japanse tuin op Clingendaal of in de duinen!Gemaakt op: 6-5-2005 om 15:36
Laatst gewijzigd op: 25-4-2012 om 7:44

Tot en met 10 juni is de Japanse tuin op Clingendaal elke dag open van 9 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds. Als je daar rondloopt kun je de azalea's bewonderen, de symboliek van de tuin proberen te begrijpen, maar je kunt ook het landschap van de mossen op je in laten werken...het is nu mooi: de esdoorns zijn op hun mooist en de azalea's bloeien!

Op de oude duingrond is door de rust sinds honderd jaar een enorme diversiteit aan mossen ontstaan: bij de laatste telling waren het wel 55 soorten!


 

Je kunt de Japanse tuin vinden op landgoed Clingendaal,
Wassenaarseweg
Den Haag
Tel. 070 3535856

Achtergrondinformatie en historie van de tuin

De Japanse Tuin is in het begin van de 20ste eeuw aangelegd door de toenmalige eigenaresse van het landgoed Clingendael, Marguerite M. Baronesse van Brienen (1871-1939), ook wel freule Daisy genoemd. Per schip heeft zij een of meer reizen gemaakt naar Japan. Zij heeft toen enkele lantaarns, een watervat, beeldjes, de bruggetjes en misschien het paviljoen naar Nederland verscheept.
De oorspronkelijke aanleg met de grillig gevormde vijver, het slingerende watertje, de kronkelende paden, de overal aanwezige stenen is vrijwel ongeschonden bewaard gebleven. Het is de enige Japanse tuin in Nederland van rond 1910 en heeft daarom een hoge historische waarde.


De belangstelling in Europa en Amerika voor Japanse tuinen ontstond toen Japan, een immens eilandenrijk, na ruim twee eeuwen van vrijwel volledig isolement omstreeks het jaar 1860 haar grenzen openstelde. Gedurende de ontwikkeling van Japan tot eenheidsstaat had Japan grote  invloeden ondergaan van de Chinese cultuur, de Chinese levensfilosofie, en van het Boeddhisme. Japan zelf kende reeds eeuwenlang een in de natuur gewortelde, animistische vorm van religie, het Shinto ( 'de weg der goden'), dat aan alles een 'ziel' toekent. De perioden van isolement, het eigen volkskarakter, en al deze invloeden tezamen waren oorzaak van een unieke en zeer eigen vorm van kunstzinnigheid waarvan de Japanse tuinkunst een voorbeeld is.
 
Op haar reizen door Japan heeft freule Daisy gepoogd het karakter, de 'ziel' van de Japanse Tuin te doorgronden. Zij heeft daaraan vervolgens een eigen invulling weten te geven. De tuin heeft een heel eigen en verrassende sfeer, mede veroorzaakt door de schitterende moslaag. Die bijzondere sfeer begint al bij het bamboe toegangspoortje en het rietgedekte huisje met een bankje, waarnaast zich een compositie bevindt van een lantaarn, een watervat en stenen. Dit zogenaamde wachthuisje (machiai) vormde van oorsprong onderdeel van een theetuin, hier is het meer een rusthuisje.


De tuin bevat veel stenen lantaarns, met een grote variatie aan vormen. Vroeger waren deze alleen te vinden bij tempels. Toen vanaf  circa 1600 de theetuin in Japan tot ontwikkeling kwam vormden lantaarns daarin een onmisbaar element. Later werden zij algemeen als tuinornament toegepast. Op enkele lantaarns is aan de voet een afbeelding van Boeddha te zien. Ook zijn er lantaarns met erop de afbeelding van een hert. Het hert is een heilig dier en is symbool voor een lang leven. In het Verre Oosten wordt een lang leven zeer op prijs gesteld, want symbolen voor een lang leven zijn er te over. Zo is er de heilige langstaartige schildpad (lang leven), die hier is terug te vinden in de vorm van het eiland in de vijver. De kop en de poten in de vorm van stenen zijn goed te onderscheiden. Ook de kraanvogel staat voor een lang leven (maar ook voor geluk, zoals de ooivaar in het wapenschild van Den Haag!) Er is in de tuin een steenzetting die mogelijk de kraanvogel symboliseert.



Op de voet van een lantaarn in waaiervorm is een vis waar te nemen. Als het een karper voorstelt is dat het symbool voor moed en doorzettingsvermogen; als het een tai-vis voorstelt is dat het symbool voor voorspoed, maar houdt ook ziekte en boze geesten weg. Het kleine beeldje achterin de tuin is de afbeelding van de Boeddhistische heilige Jizo, beschermer van kinderen.
Het rood van de bruggetjes is symbolisch voor vreugde, maar rood weert ook boze geesten af. Ook al is Japan een modern land, men blijft een sympathieke trouw aan oude overleveringen behouden.
Ook de twee watervaten, een met vier afbeeldingen van Boeddha's, de ander in de vorm van een lotus bloem zijn opvallende tuinornamenten. Van oorsprong was het doel ervan  water met de bamboe lepel uit te scheppen om handen en mond te reinigen, want rituele reinheid is het hoogste gebod der Shinto-leer. In het tempeltje hoort een Boeddhabeeld te staan, het beeldje dat er nu staat is een tijdelijke vervanger. Het meest in het oog vallend is het fraaie paviljoen, een populaire plek om van daaruit de tuin te bewonderen. Nog goed zijn de sleuven te zien voor de schuifpanelen die erin horen en die mogelijk in de toekomst teruggeplaatst gaan worden. Het paviljoen is ook geschikt om er een theeceremonie te houden. Het erfgoed van freule Daisy is er nu voor de bezoekers van de Japanse tuin, een wonder van door de mens gecomponeerde natuur, een plaats van serene rust en bezinning.

Bron

De Japanse Tuin in boekvorm

"De Japanse tuin in Clingendael, kroniek van een mysterieuze tuin".
Het beschrijft de historische ontwikkeling van de tuin, vanaf de eerste aanleg tot heden (2005).
Het formaat is 24x21 cm; omvang 92 blz. Het boek is rijk geïllustreerd met kleurenfoto's.

De auteur is Joost S.H. Gieskes.

De prijs bedraagt: € 16,90.
Te bestellen via: Boekhandel Couvée, Van Hoytemastraat 66, 2596 ES Den Haag, 070-3247930,
e-mail:
info@couvee.nl.
ISBN 90-807534-6-7.

Bij de toegang tot de tuin is een folder beschikbaar, ook te downloaden van www.denhaag.nl/japansetuin >Algemene informatie.

 

 

Nu naar de mossen.

Er worden lever- en bladmossen onderscheiden. Daarvan staan hieronder vele foto's. Vooral in veen en water komen ook veel soorten voor, maar diue zul je niet zo veel in de Japanse tuin aantreffen.

Een heel andere groep zijn de korstmossen. Die vind je niet in de Japanse tuin, maar gewwoon op stenen en muren in de stad, en bij voorbeeld op zwerfkeien en hunebedden, en op de basaltblokken van de havenhoofden.

Een goed begin

De meeste mossenfoto's hieronder zijn gemaakt door Eveline Stegeman-Broos en Ron Poot van KNNV afdeling "Twenthe" te Almelo. De KNNV is een vereniging voor veldbiologie en zet zich in voor natuurstudie, natuurbescherming en natuurbeleving.

Overzicht van het plantenrijk, tevens bronvermelding voor een aantal teksten hieronder.

Levermossen

Levermossen zijn planten die bestaan uit op de grond liggende lapjes blad (thallus, bij thalleuze levermossen) of uit stengeltjes met blaadjes (bij folieuze levermossen). In dit laatste geval hebben de stengels vrijwel altijd een duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben geen nerven. Op het thallus dan wel de bebladerde stengeltjes ontstaan al dan niet gesteelde mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen (antheridia resp. archegonia). Bevruchte eicellen groeien (vanuit de archegonia) uit tot zeer kleine, gesteelde sporenkapsels (sporogonen) die veelal met kleppen openspringen. Sommige levermossen kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten door broedknoppen (gemmae), die gevormd worden in beker- of flesvormige orgaantjes.
Levermossen komen vooral voor op vochtige plaatsen, soms in zoet water.
Levermossen zijn met zekerheid bekend sinds het Laat-Devoon (ca. 375-360 miljoen jaar geleden).

Gaaf buidelmos


Moerasbuidelmos


Uit de levermossen zijn de bladmossen ontstaan.

 

Bladmossen

Bladmossen zijn planten die bestaan uit stengels met blaadjes. De stengels hebben meestal geen duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben meestal nerven.
Bladmossen (bijv. Vorcutannularia en Protosphagnum) zijn met zekerheid bekend sinds het Perm (ca. 290-250 miljoen jaar geleden). Fossielen van vóór het Perm zijn onzeker en weinig gedetailleerd bekend, bijv. Muscites uit het Laat-Carboon (ca. 320-290 miljoen jaar geleden). Van latere perioden zijn fossiele bladmossen pas bekend uit het Jura (ca. 210-130 miljoen jaar geleden).

Gewoon puntmos


Knopjesmos


Sliertmos


Gewoon veenmos



Kussentjesveenmos


 


 

Zou hier ook het volgende bijhoren??

Wie het weet mag het zeggen!

Kandelaartje (saxifraga tridactylides)


 


Dit mosje is nl. ook te vinden in onze duinen: op het kronkelpad van het seinwachtershuisje naar de watertoren.

 

Korstmossen

Korstmossen zijn geen mossen of zwammen, maar een moeilijk plaatsbaar samenwerkingsverband tussen algen en schimmels. De algen, meestal eencellige groenwieren en soms blauwwieren, worden door een vlechtwerk van schimmeldraden omhuld en zo door een taaie korst tegen de buitenwereld beschermd. Ook zorgt de schimmel voor de voortplanting van het korstmos. De 'gevangen gehouden' algen bieden de schimmel de mogelijkheid te leven in een omgeving die zeer voedselarm is. Dit komt omdat de algen energie uit de fotosynthese kunnen halen, de schimmel niet. Bovendien is de schimmel in staat om mineralen uit de ondergrond (zelfs steen!) te onttrekken.

Bij een dwarsdoorsnede van een korstmos valt een onderscheid te maken tussen de bast en het merg van het korstmos. De bast is tamelijk taai en hard en bestaat alleen uit schimmelweefsel. Het merg bevat, net als bij een zwam, vele holtes die met lucht of een soort gelei gevuld zijn. Hierin leven de algen. Korstmossen hebben geen wortels maar hechten zich met schimmeldraden aan de ondergrond. Uit DNA-onderzoek aan korstmossen is gebleken dat korstmossen in de loop van de evolutie op verschillende plaatsen ongeveer gelijktijdig ontstaan zijn. Dit houdt in dat niet alle korstmossen van hetzelfde "oerkorstmos" afstammen.

Groeivormen


Bij korstmossen bestaan er een aantal karakteristieke groeivormen. Hoewel deze kenmerken niet overeenkomen met de systematische naamgeving die door biologen gehanteerd wordt, bieden ze wel een mogelijkheid voor een eerste rangschikking:

Draadvormige lichenen: hebben een taaie bast van schimmelweefsel, het merg is gevuld met gelei-achtige stof gevuld dat door cyanobacterieën uitgescheiden wordt.
Bijvoorbeeld: Collema.
Korstvormig korstmossen: Liggen plat op de ondergrond, kunnen korrelig of gelijkvormig zijn, de randen kunnen glad, gekerft of bladvormig zijn.
Bijvoorbeeld: Verrucaria en Caloplaca.
Bladvormige korstmossen: Bladachtige structuren die niet vast zitten aan de ondergrond, Thallus meestal kool- of rozetachtig met wortelachtige hechtdraden.
Bijvoorbeeld: Parmelia (Schilmossen) en Peltigera (leermossen).
Struikvormige korstmossen: De thallus is struik-achtig vertakt. Als deze mossen van rotsen of bomen naar beneden hangen spreekt men van baardmossen.
Bijvoorbeeld: Cladonia, Cladina en Ramalina (takmossen).

Daarnaast zijn er nog hele kleine draadkorstmosjes en parasitaire vormen van korstmossen die op andere korstmossen groeien.

Voortplanting
Korstmossen kunnen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten.

Voor de geslachtelijke voortplanting van een korstmos is het schimmelweefsel verantwoordelijk. Dit weefsel bouwt, net als bij paddestoelen, kleine hoedjes of zakjes die gevuld zijn met sporen bovenop het korstmos. Daarvoor worden op een gegeven moment opvallende vruchtlichamen gevormd, die veel gebruikt worden bij de bepaling van de soort.

Het vruchtlichaam van een korstmos kan bijvoorbeeld de vorm van een fles hebben (Perithecium) of van een uitstekende sleutel (Apothecium) met een rode vulling, zoals Cladonia. Uit de sporen, die door de wind verspreidt worden, groeit weer een korstmosschimmel die echter nog wel een bijpassende alg moet zien te vangen.

Dit probleem heeft het korstmos niet bij de ongeslachtelijke voortplanting. Voor de ongeslachtelijke voortplanting kennen korstmossen verschillende methoden. Stukken van korstmossen kunnen bijvoorbeeld (vooral in droge periodes) afbreken en op een andere plaats opgroeien tot nieuw korstmosje. De meeste korstmossen snoeren actief een bepaald deel af waar ook de bijpassende alg al ingevangen zit. Nog verfijnder en typisch voor korstmossen is de techniek om kleine, taaie korreltjes te maken van algen en schimmeldraden, die via scheurtjes in de bast losgelaten worden. De korreltjes kunnen onder gunstige omstandigheden -vooral bij een hoge luchtvochtigheid- snel uitgroeien tot een volwassen korstmos. De vorm van deze korreltjes wordt ook vaak gebruikt voor het determineren van de soort korstmos.

Korstmossen groeien met een verschillende snelheid. Korstvormig korstmossen op schrale rotskusten groeien maar enkele millimeters per jaar, maar worden wel eeuwen oud. Sommige struikvormige korstmossen en de leermossen groeien daarentegen tot zo'n 3 cm per jaar en worden meestal niet zo oud. De belangrijkste periode voor de groei is in het algemeen de late herfst.

Bron

Afbeeldingen van korstmossen

Elandgeweimos of zomersneeuw



Thallus bladvormig
Groeiwijze: in losse zoden
Kleur: Bovenkant groen, onderkant wit
Blad krult op bij droogte
Soms met gesteelde bruine apotheciën
Kan verward worden: niet
Biotoop: op de grond, meestal in schraal grasland, soms op open plekken

 

Meer info

 



vorige:
Waarom zijn van iedereen de ogen blauw als je geboren wordt?
volgende:
Bloemen in onze duinen in Mei (onder vroeg boven later bloeiend)
> De Vrije School Den Haag © 2004-2005 > Powered By Dinamite Internet Services