Tot en met 10 juni is de Japanse tuin op Clingendaal elke dag open van 9 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds. Als je daar rondloopt kun je de azalea's bewonderen, de symboliek van de tuin proberen te begrijpen, maar je kunt ook het landschap van de mossen op je in laten werken...het is nu mooi: de esdoorns zijn op hun mooist en de azalea's bloeien! Op de oude duingrond is door de rust sinds honderd jaar een enorme diversiteit aan mossen ontstaan: bij de laatste telling waren het wel 55 soorten!
Je kunt de Japanse tuin vinden op landgoed Clingendaal, Achtergrondinformatie en historie van de tuin De Japanse Tuin is in het begin van de 20ste eeuw aangelegd door de toenmalige eigenaresse van het landgoed Clingendael, Marguerite M. Baronesse van Brienen (1871-1939), ook wel freule Daisy genoemd. Per schip heeft zij een of meer reizen gemaakt naar Japan. Zij heeft toen enkele lantaarns, een watervat, beeldjes, de bruggetjes en misschien het paviljoen naar Nederland verscheept.
De tuin bevat veel stenen lantaarns, met een grote variatie aan vormen. Vroeger waren deze alleen te vinden bij tempels. Toen vanaf circa 1600 de theetuin in Japan tot ontwikkeling kwam vormden lantaarns daarin een onmisbaar element. Later werden zij algemeen als tuinornament toegepast. Op enkele lantaarns is aan de voet een afbeelding van Boeddha te zien. Ook zijn er lantaarns met erop de afbeelding van een hert. Het hert is een heilig dier en is symbool voor een lang leven. In het Verre Oosten wordt een lang leven zeer op prijs gesteld, want symbolen voor een lang leven zijn er te over. Zo is er de heilige langstaartige schildpad (lang leven), die hier is terug te vinden in de vorm van het eiland in de vijver. De kop en de poten in de vorm van stenen zijn goed te onderscheiden. Ook de kraanvogel staat voor een lang leven (maar ook voor geluk, zoals de ooivaar in het wapenschild van Den Haag!) Er is in de tuin een steenzetting die mogelijk de kraanvogel symboliseert.
De Japanse Tuin in boekvorm "De Japanse tuin in Clingendael, kroniek van een mysterieuze tuin". De auteur is Joost S.H. Gieskes. De prijs bedraagt: € 16,90. Bij de toegang tot de tuin is een folder beschikbaar, ook te downloaden van www.denhaag.nl/japansetuin >Algemene informatie.
Nu naar de mossen. Een heel andere groep zijn de korstmossen. Die vind je niet in de Japanse tuin, maar gewwoon op stenen en muren in de stad, en bij voorbeeld op zwerfkeien en hunebedden, en op de basaltblokken van de havenhoofden. De meeste mossenfoto's hieronder zijn gemaakt door Eveline Stegeman-Broos en Ron Poot van KNNV afdeling "Twenthe" te Almelo. De KNNV is een vereniging voor veldbiologie en zet zich in voor natuurstudie, natuurbescherming en natuurbeleving. Overzicht van het plantenrijk, tevens bronvermelding voor een aantal teksten hieronder. Levermossen Levermossen zijn planten die bestaan uit op de grond liggende lapjes blad (thallus, bij thalleuze levermossen) of uit stengeltjes met blaadjes (bij folieuze levermossen). In dit laatste geval hebben de stengels vrijwel altijd een duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben geen nerven. Op het thallus dan wel de bebladerde stengeltjes ontstaan al dan niet gesteelde mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen (antheridia resp. archegonia). Bevruchte eicellen groeien (vanuit de archegonia) uit tot zeer kleine, gesteelde sporenkapsels (sporogonen) die veelal met kleppen openspringen. Sommige levermossen kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten door broedknoppen (gemmae), die gevormd worden in beker- of flesvormige orgaantjes. Gaaf buidelmos
Moerasbuidelmos
Uit de levermossen zijn de bladmossen ontstaan.
Bladmossen Bladmossen zijn planten die bestaan uit stengels met blaadjes. De stengels hebben meestal geen duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben meestal nerven. Gewoon puntmos
Knopjesmos
Sliertmos
Gewoon veenmos
Kussentjesveenmos
Zou hier ook het volgende bijhoren?? Wie het weet mag het zeggen! Kandelaartje (saxifraga tridactylides)
Dit mosje is nl. ook te vinden in onze duinen: op het kronkelpad van het seinwachtershuisje naar de watertoren.
Korstmossen Korstmossen zijn geen mossen of zwammen, maar een moeilijk plaatsbaar samenwerkingsverband tussen algen en schimmels. De algen, meestal eencellige groenwieren en soms blauwwieren, worden door een vlechtwerk van schimmeldraden omhuld en zo door een taaie korst tegen de buitenwereld beschermd. Ook zorgt de schimmel voor de voortplanting van het korstmos. De 'gevangen gehouden' algen bieden de schimmel de mogelijkheid te leven in een omgeving die zeer voedselarm is. Dit komt omdat de algen energie uit de fotosynthese kunnen halen, de schimmel niet. Bovendien is de schimmel in staat om mineralen uit de ondergrond (zelfs steen!) te onttrekken. Bij een dwarsdoorsnede van een korstmos valt een onderscheid te maken tussen de bast en het merg van het korstmos. De bast is tamelijk taai en hard en bestaat alleen uit schimmelweefsel. Het merg bevat, net als bij een zwam, vele holtes die met lucht of een soort gelei gevuld zijn. Hierin leven de algen. Korstmossen hebben geen wortels maar hechten zich met schimmeldraden aan de ondergrond. Uit DNA-onderzoek aan korstmossen is gebleken dat korstmossen in de loop van de evolutie op verschillende plaatsen ongeveer gelijktijdig ontstaan zijn. Dit houdt in dat niet alle korstmossen van hetzelfde "oerkorstmos" afstammen. Groeivormen
Draadvormige lichenen: hebben een taaie bast van schimmelweefsel, het merg is gevuld met gelei-achtige stof gevuld dat door cyanobacterieën uitgescheiden wordt. Daarnaast zijn er nog hele kleine draadkorstmosjes en parasitaire vormen van korstmossen die op andere korstmossen groeien. Voortplanting Voor de geslachtelijke voortplanting van een korstmos is het schimmelweefsel verantwoordelijk. Dit weefsel bouwt, net als bij paddestoelen, kleine hoedjes of zakjes die gevuld zijn met sporen bovenop het korstmos. Daarvoor worden op een gegeven moment opvallende vruchtlichamen gevormd, die veel gebruikt worden bij de bepaling van de soort. Het vruchtlichaam van een korstmos kan bijvoorbeeld de vorm van een fles hebben (Perithecium) of van een uitstekende sleutel (Apothecium) met een rode vulling, zoals Cladonia. Uit de sporen, die door de wind verspreidt worden, groeit weer een korstmosschimmel die echter nog wel een bijpassende alg moet zien te vangen. Dit probleem heeft het korstmos niet bij de ongeslachtelijke voortplanting. Voor de ongeslachtelijke voortplanting kennen korstmossen verschillende methoden. Stukken van korstmossen kunnen bijvoorbeeld (vooral in droge periodes) afbreken en op een andere plaats opgroeien tot nieuw korstmosje. De meeste korstmossen snoeren actief een bepaald deel af waar ook de bijpassende alg al ingevangen zit. Nog verfijnder en typisch voor korstmossen is de techniek om kleine, taaie korreltjes te maken van algen en schimmeldraden, die via scheurtjes in de bast losgelaten worden. De korreltjes kunnen onder gunstige omstandigheden -vooral bij een hoge luchtvochtigheid- snel uitgroeien tot een volwassen korstmos. De vorm van deze korreltjes wordt ook vaak gebruikt voor het determineren van de soort korstmos. Korstmossen groeien met een verschillende snelheid. Korstvormig korstmossen op schrale rotskusten groeien maar enkele millimeters per jaar, maar worden wel eeuwen oud. Sommige struikvormige korstmossen en de leermossen groeien daarentegen tot zo'n 3 cm per jaar en worden meestal niet zo oud. De belangrijkste periode voor de groei is in het algemeen de late herfst. Elandgeweimos of zomersneeuw
Thallus bladvormig
|
||||||||||||























